Goet-Luc's pagina's

Observaties en Meningen


Over Marcel Pagnol

Wat een schrijver!

Ik kende Marcel Pagnol niet (meer), was hem blijkbaar „vergeten”, nochtans zit er in onze bibliotheekkast reeds decennia lang een dun boekje met saaie witte kaft en daarop de titel „Topaze” geduldig op mij te wachten. „Moest” ik lezen in de humaniora, en français… Waarom ik het altijd heb bij gehouden is een raadsel, maar dat ik het een dezer dagen terug zal openslaan staat vast!

How come?

In de voorbije maanden werd de televisie na het journaal en „Man bijt hond” steevast uit gezet: blijkt namelijk dat hoe groter de keus in zenders, hoe oninteressanter het aanbod wordt. Wat „men” ons de laatste tijd voorschotelt, overschrijdt namelijk met lichtjaren de grenzen van de menselijke verdraagzaamheid. Hierbij de volgende bedenking: „men” pretendeert om in dit land het zuiden en het noorden dichter bij elkaar brengen, maar het aanbod van o.a. films op „onze” VRT - VTM - VT4 en tutti quanti, wordt nagenoeg volledig „geput” uit „les sources” in het Verre Westen. Met tijd en boterham een goede Franstalige film bij ons en even goede Nederlandstalige film bij onze landsvrienden zou toch een kleine opening kunnen maken? Maar nee hoor: de overconsumptie aan hoger, verder, meer, zwaarder, sterker, nuttelozer, grover, leger of dwazer lijkt jammer genoeg nog lang geen halt te zullen worden toegeroepen. God moet blijkbaar zijn getal hebben.

Soit, wij dus de televisie uit en een goed boek aan. Tot Mia „Manon des Sources” in de hand nam en er over van was. In de handel vonden wij twee DVD’s: „Jean de Floret” en „Manon des Sources” in een regie van Claude Berri. Prachtige film met een magistrale Yves Montand in de rol van César (Le Papet). Hoe die man op het einde, zittend op een stenen bank, mentaal breekt bij het horen van de waarheid: het is een scène om te blijven her bekijken en te koesteren. Gebeten door de schrijver vonden we twee andere prachtige films rond het werk van Pagnol: „La gloire de mon père” en „Le château de ma mère”. In deze autobiografische films (regie: Yves Robert) is elke minuut om van te snoepen. Een regelrecht feest voor oog en oor. We weten weer wat lezen en waar naar toe in Frankrijk in de volgende jaren...

Over Lille en Boilly

Tijdens het Kerstweekend verbleven we in Lille (of „Riesel” zoals West-Vlamingen zeggen). Gezellige drukte, knusse restaurants, verrassende winkels. Warm hotel in het centrum van de stad (nota bene pal achter de Opera) waar de opmerkelijke rust van onze „kamer met uitzicht” op de artiesteningang, die huiselijkheid bood waar we in deze tijden van rusteloos opgeklopte drukte naar zochten. Een „isle” van stilte midden het lawaai, de stress en de spanningen die op vandaag vanzelfsprekend en dus blijkbaar ‚normaal’ zijn.

Op zaterdagmorgen maakten we een wandeling door de nagenoeg lege straten. We liepen langs de Kerstmarkt - hier en daar reeds een kraampje open met warme drank of wat Kerst-kitch - in de richting van het Palais des Beaux Arts om er de (tijdelijke) tentoonstelling „Retrospective Louis Boilly” te bezoeken.

Het werd een ontdekking.

De ruimte waar men tijdelijke tentoonstellingen organiseert, ligt ondergronds. De aanwezige werken worden echter tot in de perfectie belicht door natuurlijk daglicht dat via het immens glazen „dak” over het geheel uitwaaiert en dat met behulp van draaibare lamellen eventueel kan worden getemperd.

De opstelling was ingenieus. Je loopt doorheen zeven kamers die een 190-tal min of meer chronologisch opgehangen werken bevatten: vertrekkend bij zijn portretten (waarvan er naar het schijnt duizenden zijn) passeer je achtereenvolgens zowel persoonlijke familie-taferelen als zijn eerste Parijse successen, verhalende taferelen, zijn uitingen van politiek engagement en illusionistische stukken (schijnbare werkelijkheid) om af te sluiten bij de karikaturen. Daarbij loop je ondertussen als het ware door een stripverhaal dat een van de interessantste perioden van de Franse geschiedenis illustreert. Je start bij het Ancien Regime, ervaart de Franse Revolutie met Robespierre en Marat, duikt de tijd van het Directoire, Consulat en Empire binnen en eindigt bij de Restauratie. Telkens wordt op schitterende wijze aan de tijdsgeest gestalte gegeven.

Ik zal Louis Boilly (1761 - 1845) echter vooral onthouden vanwege zijn verhalende taferelen en zijn portretten. Daarom deze foto die ik ter plaatse nam.

Boilly

Dit zelf-portret is weergaloos. Je ziet er Boilly als revolutionair in de spiegel kijken.
Je voelt hem denken.
Zie ik er stoer genoeg uit...
of
Zal mijn vermomming slagen...
Want Boilly - zo lijkt het mij toch - at van vele walletjes en paste zich wonderwel aan de verwachtingen van de tijden aan. Op latere zelf-portretten is hij (de vriend van) de de aristocraat of de (ietwat pedante) burger of…

Is het niet van alle tijden?

Over Steve Jobs

Flanders Technology International 1985. Het is zaterdag 2 maart en ik loop al de hele middag rond in de Gentse Jaarbeurs (toen nog in het Citadelpark).

Als jonge man met grote interesse in computertechnologie ben ik op zoek naar muzieksoftware voor mijn TI-99A
(Texas Instruments). Ik ging reeds langs bij stands met o.a. Sinclair, Commodore, Atari en Philips, maar nergens kon men mij op een ernstige manier helpen.
Muziek? Op de meeste „boots” word ik afgescheept: in het beste geval toont men mij belachelijke spelletjes met al even belachelijke muziek of onaantrekkelijke programma’s die nooit een professionele niveau halen. En ik krijg de indruk dat je hier zonder technische opleiding en dito knobbel eigenlijk niet thuis hoort: dit is een beurs voor ernstige mensen!

Plots vernauwt mijn blikveld. De Tijd lijkt te vertragen en al mijn aandacht wordt naar een klein zacht blauw oplichtend scherm gezogen. Het fascineert onmiddellijk omdat het er zo totaal anders uitziet. Ook de kast waarin dit scherm lokt, evenals het veelkleurige logo in de vorm van een klein appeltje, hebben iets bijzonder fascinerends. Ik word uiterst vriendelijk ontvangen en mag zelfs proberen: „Maar natuurlijk!”
Het met de muis aanklikken van de afbeeldingen op het scherm is zo vanzelfsprekend dat ik onmiddellijk intuïtief weet hoe het werkt
(de benaming GUI of Graphic Users Interface kende ik toen natuurlijk nog niet). Men stelt me voor om een opleidingssessie van een half uur te volgen. Ik stem zonder enige twijfel toe ook al moet ik er zondag voor terug komen wegens te laat vandaag.

Die sessie gaat door op een boot
ergens aan de (vermoed ik nu) Marie Popelinkaai en dit in de vorm van een hands-on met MacWrite en MacPaint. Ik teken notenwaarden, trek notenbalken en sleep er noten op. En als dit nu ook nog zou kunnen klinken! Prachtige educatieve mogelijkheden liggen voor het grijpen en voor mijn geestesoog schieten er ongecontroleerd talloze mogelijke toepassingen voor muzikanten en voor het muziekonderwijs voorbij. Na 30 seconden ben ik verkocht, zeventien dagen later heb ik gekocht. (Ik heb de factuur nog: bon nr 1036 - vervaldag 06-04-85 : klant 428 : faktnr. 248 voor een Macintosh 128 K : prijs BEF 169.995 (BTW 19% inclusief) bij Sidel Computer Center).

De rest is geschiedenis, mijn stukje geschiedenis.

Er zijn van die momenten in je leven waarop je intuïtief weet: DIT IS HET!
Ik had het geluk om meerder keren dergelijk „momentum” te mogen ervaren én had daarenboven de tegenwoordigheid van geest om er bij stil te staan én er op in te gaan. Een moment is een tijdstip waarop een uitzonderlijke kans ontstaat: grijp ze!

Wat heeft dit alles met Steve Jobs (24 februari 1955 - 5 oktober 2011) te maken?

De beslissing om een Macintosh aan te kopen in maart 1985 veranderde grondig mijn leven en bepaalde voor een enorm groot deel ook het verder verloop van mijn leven. Gewoonlijk ben ik sober in mijn woorden en timide in mijn verklaren als het mezelf aangaat, maar in deze omstandigheden meen ik te mogen schrijven dat ik visionair was in het Vlaanderen van 1985 voor wat betreft het toekomstig belang van de computer en zijn immense toepassingsmogelijkheden voor de musici en het muziekonderwijs. Op die eigenste derde maart werd het mij letterlijk in een flits klaar en duidelijk dat de GUI hét middel was om de computer ook nuttig te maken voor de creatieve mens: de beeldhouwer, graficus, architect, schilder, etser, boetseerder, danser, scheppende en herscheppende muzikant, acteur, dichter enz… Ik begreep tevens dat dit ook telde voor de leek, de hobbyist, de student, de gepensioneerde, noem ze op. De Macintosh was hiervoor toen dé ideale computer.

Ik droomde de daarop volgende dagen en weken van toepassingen die konden laten horen wat je op het scherm intikt of op een klavier inspeelt. Stel je voor: je zingt en het wordt automatisch genoteerd. Je kunt het her beluisteren, aan een andere instrumentenklank koppelen, uitprinten, bewerken, delen met anderen… Ik droomde van een eigen muziekstudio waar ik kom componeren: mij eigen muziek uitgeven op papier en CD. Ik droomde van klaslokalen waar leerlingen elk hun eigen computer hadden. Dat lijkt nu allemaal doodgewoon, maar toen was het nog sciencefiction: sommigen verklaarden mij zelfs een beetje gek enkel omdat zij het niet „zagen”.

De aankoop van mijn Mac maakte dit mogelijk. Ik ploos vaktijdschriften uit, reed meerder keren naar Amsterdam, Utrecht, Londen, Frankfurt en Parijs hongerig op zoek naar software en informatie. Hierdoor verruimde mijn blik op de wereld. De softwaretoepassingen die ik had gedroomd, kwamen meer en meer ter beschikking en ik bouwde ondertussen een eigen zaak uit (BitmusiC). Hierdoor kwam ik in persoonlijk contact met gerenommeerde musici zoals Tars Lootens, Robert Groslot, Michel Herr, Fréderic Devreeze, Julos Beaucarne, Rudy Werthen, Wim Mertens en werd langzaam maar zeker een naam in de wereld van de klassieke muziek en dito onderwijs.

Een greep uit de fantastische gevolgen van mijn keuze:

  • Als zaakvoerder van BitmusiC veroverde ik samen met Jef De Berdt (1953-2006) de Vlaamse muziekacademies met Muzikad (administratieve software) en Finale (notatiesoftware) en bouwde hierdoor de fundamenten voor het verder gebruik van de computer in het muziekonderwijs.
  • Als componist mocht ik de „Song for technology” componeren en uitvoeren op de opening van Flanders Technology 1989 en dit in aanwezigheid van o.a. Koning Boudewijn.
  • Als lid van CD-Live gaf ik in samenwerking met en steun van Roland Corporation (Vic Keersmaeckers) meer dan 565 concerten. Er ontstond hierbij een mooie vriendschap met Jan Huylebroek en Charles Van Houtte. Wij toonden aan tienduizenden leerlingen in scholen verspreid over heel Vlaanderen de onvoorstelbare mogelijkheden van de computer op het gebied van de muziek en waren hierdoor echte technologie-missionarissen.
  • Eveneens als lid van CD-Live gaf ik in samenwerking met het Koninklijk Ballet Van Vlaanderen 286 concerten in België, Nederland, Engeland en Duitsland. Daarbij ontmoette ik een ongelofelijk aantal creatieve en mooie mensen: Linda Lepomme, Marijn Devalck, Frank Robert Freeman, Marloes Van Den Heuvel, Ann Lauwereins, Mark Meersman, Frank Van Laecke, Kader Gürbüz, Daan van den Durpel om er maar enkele te noemen.
  • Als ‚autoriteit’ kreeg ik de kans om mijn verhaal over de mogelijkheden van de computer persoonlijk uit te dragen op zowel radio (o.a. „De gewapende man” met Julien Put), televisie (Help Klassiek in 1995) als in de aula’s van universiteiten (Leuven) en Koninklijke Conservatoria (Liège).
  • En een laatste maar overduidelijk immens belangrijk gevolg: dankzij en door de computer ontmoette ik een prachtige vrouw: Mia.

Dit alles werd mogelijk dankzij de visionaire geest van Steve Jobs die opraapte wat anderen lieten liggen, die doorzette waar anderen opgaven en die hongerig bleef zoeken en het onmogelijke bleef nastreven: hij gaf de computer een linker hersenhelft.

Dankjewel Steve.

Over Ligeti

Daar zaten we dan. In het Brugs Concertgebouw. Op uitnodiging van Luc Pillen vader van twee oud-Discanters.

We frequenteren de laatste jaren het concertleven niet zo veel.
Daar zijn tal van redenen voor. Eén ervan is het „gezelschap” - sinds jaren - van een zware tinitus. Die wil van mij niet wijken en apprecieert een overdosis aan geluid helemaal niet.
Een andere reden is de beurs. Begrijp me niet verkeerd: we leden geen zware verliezen in de ‚duikvlucht der aandelen’ want die hebben we gewoon niet.
Ik bedoel ònze beurs: die fronst het voorhoofd als we er met de hand ingaan. Wat men soms moet bovenhalen voor men zich kan neerzetten in de pluche zetel of de hype stoel van een concertzaal: dat loopt al snel erg op! Niet deze avond dus waarvoor hierbij nogmaals dank aan de gastheer en zijn dame.

We hadden ons maar pas koninklijk neergezet in die hype stoel op het eerste balkon om de seizoensopener van Het Symfonieorkest Vlaanderen mee te maken of ik werd al meteen voor de eerste maal die avond terug gekatapulteerd naar het verleden. Waar is die Tijd verdorie heen? Hoe lang was het alweer geleden dat ik dit zelfde orkest (?) in een heel andere context hoorde?

Sschwwwoeps: het West Vlaams Orkest. Vermoedelijk begin de jaren 70: en daar zit ik dan op het podium. Naast Carien Verhenneman die in dé Passie der Passies de continuo voor haar rekening neemt terwijl ik de blaadjes van een pocketuitgave draai. Dirk Varendonck dirigeert en ik vermoed dat de meisjes van Hemelsdaele ook meezingen. Ik herken nog Ria Bollen en (rechts van mij) Jan Van Kelst.

WVO1974

Die is vanavond ook aanwezig maar dan in het geëvolueerde/getransformeerde orkest.
Terug naar nu dus, ongeveer 40 jaar later.

Ze openen met Ligeti’s Vioolconcert (1990). Ik had het werk nog niet gehoord maar het bekoorde mij nagenoeg onmiddellijk. Prachtige muziek op weergaloos meesterlijk ingeleefde wijze gebracht door Patricia Kopatchinskaja die begeleid wordt door een gemetamorfoseerd West Vlaams / Nieuw Vlaams / Symfonieorkest Vlaanderen dat nauwgezet, krachtig, vol zwaai en schwung wordt aangestuurd door gastdirigent Jonathan Stockhammer. Die hing in de tijd waarop ik de blaadjes draaide bij Bach’s Matheuspassie nog aan de moederrok.

Het moet razend moeilijk zijn dat concert uit 1990. Onoverkomelijk als je de directiepartituur voor het eerst opent. György Ligeti wist wat moeilijk is. Zijn leven heeft het hem geleerd. Joodse vader en broer vermoord door de nazi’s tijdens hun gevangenschap in de kampen: ook hij was er bij. En toch hoor ik in zijn muziek geen miserie of verdriet of angst. Ik hoor geen dood.

Ik hoor gesprekken, gebabbel.
In mijn verbeelding wegglijdend zie ik Roberto Benigni (La vita è bella) op het podium verschijnen. Hij praat luid en gesticuleert in warme overdrijving op z’n Italiaans. Hij is aanwezig in de klanken en vertolkt clownesk hét leven met alles erop en eraan. Achterklap. Fluisterklap. Donderende bulder. Kolder-taal. Lokkende taal. Welgemeende zoetigheid en buitelende kinderen. Waw! Ligeti schildert met klank. Hij giet kleuren in mijn hersenpan en mengt ze. Niet tot grijs, maar tot levend beeld. Een nieuwe wereld wordt herboren uit tot tekens gestolde ideeën.

Tijdens de pauze wordt de katapult voor een tweede maal afgevuurd. Ik ontmoet een oud collega. Mijn geheugen weet de contouren van zijn gezicht op te roepen, maar zijn naam - Antoon V. - was gesmolten. Weeral een sprong van 30 jaar: de zusters en de broeders te Knokke. Jacques Maertens. Rondinella. Tja…

Het tweede deel met „De nieuwe wereld” van Antonin Dvorak brengt rust. Het orkest laat hier en daar een steekje vallen, vooral bij de kopers. De dirigent speelt en steelt soms wat de show’ maar nooit te veel. Een duiveltje waar nodig. Een engel als er streling wordt gevraagd. Ik geniet. Het gaat nooit te luid, dat weet mijn „gezelschap” mij te vertellen.

Na afloop bij de vestiaire komt de derde sprong in het verleden. Luc heeft het toevallig over Intersoc. Koekje van Proust wordt woordje van Pillen en ik denk: Engelberg; waar is die machtige heerlijke Tijd? Met Discantus in het hotel Terasse. Dat is ook alweer 25 jaar geleden. Zouden zij er ook nog af en toe eens aan denken?

Waar een uitnodiging toch allemaal goed voor is.

Over Bougival

Bougival, ooit van gehoord?

Bougival is een kleine gemeente in het departement Yvelines, op een kleine 20 km ten westen van Parijs. Tot begin augustus van dit jaar was de plaats mij totaal onbekend. Tot we er een groot weekend mochten verblijven in de Holiday Inn met de bedoeling om het kasteel van Versailles (gelegen op ± 7 km) te bezoeken. Dit laatste deden we niet en wel hierom.

Vooreerst een bedenking:

Hoe sneller we ons verplaatsen, hoe enger (en ik schrijf hier doelbewust niet: kleiner) onze wereld wordt. Wie de snelweg neemt, mist letterlijk ontelbare schitterende dingen: je raast er voorbij zonder ze op te merken.

Ga gewoon eens in je tuin zitten en neem de tijd om te kijken naar wat er zich in de onmiddellijke nabijheid van je zintuigen bevindt: er gaat een onbekende wereld voor je open; de vorm van een boom, de kleur van een baksteen, de geur van het gras en de aarde; geluiden waar je nooit bij stilstond; een kolonie mieren die aan het wroeten is onder je voeten; een naaktslak die zich langzaam naar een vochtige sleuf in de tuinmuur slijmt.

Zoek misschien eens op wie er vroeger woonde op de plaats waar jij nu zit, of wie er ooit in de omgeving leefde en stierf. Ga na welke gebeurtenissen er in het verleden in jouw straat plaats hadden en je zult wellicht verstelt staan van de geschiedenis die je omringt.

Mijn punt is dat elke plaats iets te vertellen heeft, dat elke plaats een portaal kan zijn naar een fascinerende wereld. Dat elke plaats de deur naar een boeiend verhaal kan zijn als bronnen van vele stroompjes waarvan er enkele soms tot enorme rivieren uitgroeien waarop je dan fantastische en adembenemende tochten kunt maken.


En Bougival dan?

We logeerden dus in het hotel Holiday Inn in de „Rue Yvan Tourguenieff 12” met de bedoeling Versailles te bezoeken, maar ontdekten (gelukkig thuis enkele dagen vooraf) dat er in de onmiddellijke omgeving een overvolle korf aan uiterst interessante schatten te vinden zijn. Ook op reis geldt de eerder genoteerde bedenking.

De benaming Bougival zou uit de zevende eeuw stammen en van „Baldo Gesillo Valle” komen of de „Vallei van de Dappere Gezel”.
In de 17de eeuw werd „La machine de Marly” er gebouwd. Dit was een immens kunstwerk dat het water van de Seine meer dan 100 meter hoog het dal uit vijzelde om het daarna via een aquaduct naar de tuinen van Versailles te brengen en zo het steeds groeiende waterverbruik aan het hof van Lodewijk XIV (voor fonteinen, was en plas) op te vangen. Je kunt de resten van het „pomphuis” en de buizen bekijken en een wandeling maken tot aan het viaduct.

Maar daar blijft het niet bij.

1. Op 200 meter van „ons” hotel stierf Georges Bizet op 3 juni 1875 in het huis nummer 5 van de zelfde straat. Hij componeerde er „Carmen” en werd er dodelijk ziek na een zwempartij in de Seine die achter zijn huis stroomt. We liepen er even langs maar konden het huis jammer genoeg niet zomaar bezoeken.

2. Pal achter het hotel leefde en stierf Ivan Toergenjev in de Datcha die hij liet bouwen in het bosrijke park waar de villa (Les Fresnes) van zijn geliefde Pauline Viardot staat.
Die Pauline Viardot Garcia was een gerenommeerde zangeres die o.a. bevriend was met George Sand en Gustave Flaubert en in die zin ook meerder keren in Nohant (zie ook onze reis naar Le Centre) verbleef waar ze naast andere illustere kunstenaars ook Chopin ontmoette. Toergenjev, die natuurlijk de vriendenkring van zijn geliefde deelde en in die zin ook ooit Nohant bezocht, was een Russisch schrijver die o.a. bevriend was met Guy de Maupassant zodat ik voor een kennismaking met deze schrijver de novelle „Yvette” las en tot mijn verbazing ontdekte dat het verhaal zich (wat een toeval) hoofdzakelijk afspeelt op... het eiland voor ons hotel. De datcha van Toergenjev werd museum en we bezochten het op zondagmorgen. Straks hier meer over.

3. Rechtover het hotel ligt in de Seine het „Ile de la Chaussée” en dat is via een pad verbonden met het „Ile des Impressionistes”. In zijn boek „Parijs Retour”, beschrijft Bart Van Loo op een schitterende wijze een wandeling op deze eilanden en ik maakte hiervan gebruik om een eigen dagtocht uit te zetten waarbij we ons mochten onderdompelen in de sfeer van de tijd van Renoir en andere impressionisten. Het werd een prachtige wandeling. Het weer was schitterend. We namen een picknick mee en aten en wandelden letterlijk in de voetsporen van Yvette en Jean; inclusief onweer en „Le Camembert”! Op het eiland van de impressionisten aangekomen, zagen we het restaurant „Le Fournaise”: enkel toegankelijk om te ‚déjeuneren’, maar blijkbaar zaten we in een gunstig momentum want ‚madame’ liet toe dat we een verfrissing namen (het was ondertussen 30 C°). We werden naar het balkon gebracht en zetten ons aan de tafel die nagenoeg de exacte plaats markeerde waar Renoir zijn „Le Dejeuner des Canotiers” schilderde. Er werd een grote fles Vitel besteld. Het prachtige uitzicht op de Seine en het gevoel in de geschiedenis te zitten overtuigden ons om dan toch maar de dessertkaart te vragen en we genoten van een „Pallet de sorbets des Impressionistes”.

tableau_moyenP1010034

In de namiddag bezochten we tenslotte nog het Chateau Malmaison (op ± 2 kilometer van het hotel) waar Joséphine de Beauharnais (ex van Bonaparte) leefde en stierf. Dit museum is meer dan de moeite van een bezoek waard! De zondag was met andere woorden fantastisch verlopen.

Zoals beloofd nog iets meer over de Datcha van Ivan Toergenjev.
We bezochten die op zondagmorgen. Het museum is enkel in het weekend open en dan nog met beperkte bezoekuren. Daar we vrij vroeg aankwamen (het hotel ligt op 100 meter van de ingang) waren we er helemaal alleen. De jongeman die ons de kaartjes overhandigde was er samen met zijn vader. Het enthousiasme van beide mensen was tegelijk vertederend en aanstekelijk. Het museum is een reliek voor wie van Toergenjev houdt.
Ook de „piano carré” met slechts 1 pedaal van Toergenjev staat er. Ik vroeg en kreeg toelating om er even op te spelen en vertolkte tot genoegen van de heren twee préludes van Frederic Chopin: de nummers 4 en 10.
Zegt de oudere heer achteraf op ernstige toon: „Weet je dat je zonet op de piano hebt gespeeld waarop ook Robert Schumann en Johannes Brahms speelden?”
Ja, meer hoef je toch niet te hebben om te gaan zweven?

Over de Berry

Deze zomer reisend we naar „Le Centre” in Frankrijk. Deze streek is minder gekend bij de toerist. Vooral de Berry heeft veel te bieden voor wie van rust en cultuur houdt.

Vandaag werkte ik het verslag over deze reis af. Wie wil kan meelezen in „Herinneringen”>”Centre 2011”

Over de 28558-ste

Gisteren bezochten we Ieper.

We hadden dit doelbewust gepland om er de „Last Post” bij te wonen. Die vindt er elke dag om 20.00u. plaats, gisteren reeds voor de 28558-ste keer. Het is een beklijvende belevenis.

Reeds meer dan een half uur vooraf beginnen mensen onder de Menenpoort samen te vlokken. Het geroezemoes; het steeds meer naar binnen keren van de blikken van de omstanders; de ingetogen bewegingen van groepen; de vage nauwelijks te onderscheiden tekenen van lichte zenuwachtigheid bij de muzikanten, dit alles in een sfeer van kalm afwachten, deden mij in een lang vergeten staat van rust wegglijden. Het is alsof je je neerlegt en de trance je net niet aanraakt. Met de rug tegen een muur vol verzonken namen geleund, zie ik doorheen de poort hoe af en toe een vlucht duiven voor het uurwerk van het belfort scheert. De wijzers glijden naar 20.00u. Het wordt stil. Je hoort hier en daar een gedempte stem bevelen geven. Dan klinkt een bugel. Boterzachte klank weerkaatst tegen het gewelf.
Vier klaroenen nemen plaats. De ceremonie wordt ingezet. Alles gebeurt in respectvolle ernst. Mensen verstillen innerlijk. Ik word weemoedig vanwege zoveel schoonheid. Dit is in zijn geheel een Kunstwerk. De Porthywaen Silver Band speelt ingetogen. Majoor General Paul Brereton declameert een gedicht. Niets lijkt geforceerd, alles heeft zijn plaats.

De (erg) jonge rekruten van de Royal Naval Reserve beleven het gebeurden intens mee. Net alsof ze gisteren nog een kameraad verloren. Dit is geen spel. Ik zit met een dubbel gevoel. Deze plechtigheid is een eerbetoon die de gruwel van de oorlog… mooi maakt. Hoe kan dit toch. Al die mensen die, strak in het gelid, ontroerd respect bieden aan de gevallenen, lijken tegelijkertijd reeds in het denkspoor van een eventueel toekomstig conflict te zijn gelokt. Ook zij zijn reeds gekiemd om te willen vechten voor… ja voor wàt eigenlijk?

Hoe en waar beginnen we om dit écht nooit meer mogelijk te kunnen maken?

Bij onszelf.

Over het bakken van Brood

Het was veel te lang geleden.

Het vele werk op het SCB evenals het minder goede weer lieten niet toe dat ik de voorbije maanden een van mijn favoriete „bezigheden” kon beoefenen: het bakken van brood in een houtoven op de boerderij van mijn schoonouders.

Ik raad het iedereen aan die met stress is opgezadeld.
Trek er ook een hele namiddag voor uit, gun je die luxe, en bereid alles zo intens mogelijk voor. Haal je bloem bijvoorbeeld niet in de gewone winkel maar bij een molenaar. Ik kan je Van Eecke in de Molenstraat 3 ;-) te 8490 Varsenare aanraden. De molen staat er al enkele eeuwen. Wij gaan er al jaren.
Je koopt er best naast de gewone bloem-soorten (wit, zeven granen, spelt…) ook pistoletbloem. Die is rijk aan eiwitten en dat zorgt er voor dat het deeg mooier opkomt, luchtiger wordt.

Geniet van het mengen: doe dit door rustig met je vingers van pink tot duim de verschillende ingrediënten in elkaar te „masseren”.
Geniet van het kneden: gebruik de muis van je hand om het deeg naar binnen te duwen. Wees niet bang om een paar keer de deegbol op het tafelblad te „smijten”, de bol plat te duwen en te herbeginnen. Laat na 20 minuten kneden het deeg rijzen op een warme plaats. Ik gebruik hiervoor onze… auto. Bij het minste beetje zon wordt het daarin zalig warm. Het deeg rust loom en zwelt als de voldane buik van een pallieter.

Tijdens de eerste „rijs” verzamel je fijn droog hout, niet dikker dan een duim.
Je begint met vooraan in de ovenmond een handje stro te leggen met daar bovenop een aantal van de fijnste en droogste takjes die je vond. Eén enkel lucifertje moet volstaan. Het vuurtje likt door het stro en zet knapperend de takjes in vlam. Je legt er rustig en gelijkmatig in een kruisvorm takjes tegenaan en ziet het vuurtje groeien. Naarmate de vlammen sterker worden, voeg je dikkere takken toe en kun je kalm het vuurtje telkens gelijkmatig wat naar achter schuiven, naar het midden van de oven toe. Hoe groter en zekerder het vuur zich voelt, hoe zekerder jij mag worden: je legt er dikkere takken op en breidt de vuurhaard gelijkmatig uit, nu ook naar de zijkanten toe.

De vlammen in de oven likken aan de stenen. Die slaan wit uit van de hitte. Je stookt de oven nu echt goed op. Geniet van de vlammen: ze zijn gretig en zwelgen aan elke nieuwe tak met een meedogenloosheid die doet denken aan de vuurhaarden van de inquisitie. Laat je geest de vrije loop, denk misschien mijmerend aan wat de Katharen wilden en aan wat Jacques de Molay moest doorstaan. Laat je vuur niet alleen: wees er mee bezig en schuif het brandend hout naar de hoeken. Geef het af en toe nieuw voedsel, niet te veel in eens want dan „verdrinkt” het. Laat je vuur nu maar uitgaan: het wil slapen terwijl het deeg een tweede, kortere kneedbeurt ondergaat.

Verdeel je deeg in gelijke delen: het brood krijgt vorm. Kneed het nog even en werk naar een halve bol toe. Leg het liefdevol in een met bloem bestrooide bakvorm. Laat alles nu lang rijzen. Niet snel: hup hup! Tijd geven. Liever te lang dan te kort.

Neem nu een mooi boek - bv. Balzac’s Eugénie Grandet - en ga lezen in de tuin, op een bank, met de zon in het gezicht en het gezoem van de bijen op de dahlia’s als achtergrond. Met de spinnende poes op de schoot. Alleen het geblaat van een schaap haalt je even uit je droom. Na een tijd, je voelt wel wanneer, ga je kijken of het deeg nog leeft.

Stook nu je oven opnieuw op, een kwartier lang, met het droogste hout dat je vindt, zodat het na een tijd vanzelf terug vuur vat doordat je het op de nog smeulende kooltjes hebt gelegd. Veeg nadien alle houtskool uit je oven en voel met je blote arm hoe warm het binnen is. Ik maakte mezelf wijs dat ik van mijn grootvader zaliger (die bakker was) leerde dat je tot 7 moest kunnen tellen. Langer is te koud, korter is te heet. Geef het brood je teken mee: met een scherp mes enkele kerven overlangs of een kruissnee op de kop. Druk er met je duim een put in of stempel het met een vorm: maak er jouw kunstwerk van. Schuif nu je broden één voor één op de ovenvloer. De overdeur gaat dicht.

Ga niet weg van je kunstwerken. Wees bezorgd en durf al eens te kijken of het goed gaat daar binnen. Je broden hebben je nodig want het is er misschien te warm!

Je mag tot rust komen en je boek terug openslaan. Je kunt zelfs overwegen om je in het gras neer te leggen want het lijkt je aardig om dat bezig miertje te bestuderen dat niet weet hoe zalig luieren wel kan zijn. En je ruikt en geniet.
Bakkend brood kan hemels geuren. Het begint als een vluchtig wolkje, vervlogen voor je het kon plaatsen. Maar dan herhaalt het zich sterker en je geheugen lokt je meedogenloos naar je jeugd. Naar de bakkerij van nonkel Arseen (ja, die was net als zijn vader ook bakker). Naar die zalige warme veilige tijd van toen.

Na een kwartier schuif je ook de 4 melkbroden in de oven. De bruine korst van de andere broden knispert.
Alles herbegint: het waken, het rusten, het genieten, het ruiken, het verleden.

Twintig minuten later kun je oogsten. Eetbare kunst waar je eerst vol trots naar kijkt en dan betast, beklopt en besnuffelt. De broden worden op hun zijkant gelegd om af te koelen. Het vers geslepen mes wordt uit de broekzak gehaald en opengeknipt. Straks wordt de tafel gezet: bruin bier, boter en kaas. En brood. Meer moet dat niet zijn.

Over de Tijd

De huidige wetenschappers en onderzoekers menen dat Tijd geen pijl is, maar een monumentaal „statisch” iets. Zoals een blok ijs. Niet vloeiend van verleden naar toekomst, maar vast. Elk „tijdspunt” is, was en zal altijd zijn. Verleden en toekomst bestaan niet. Tijd is gewoon Tijd.

Er kwam een vreemde gedachte in mij op. Als dat inderdaad zo is, als de tijdsstroom die ik ervaar een illusie is, kan het dan niet zo zijn dat het leven kan omschreven worden als „dat wat zich door de vaste blok tijd beweegt”?

Niet de Tijd vloeit dan door ons brein, wij vloeien langs de Tijd.

Tja...