Goet-Luc's pagina's

Van harte welkom!


Duitsland 1974



Verslag van een fietsreis...


Achttien jaar!
Wie droomt dan niet van verre reizen vol verrassingen en ongekende gevaren? Is het niet dé leeftijd waarop je hunkert naar vrijheid, om er eens op uit te trekken, om zélf eens je eten klaar te maken (liefst boven een houtvuur en dus veel beter dan thuis natuurlijk!), om de eeuwige opmerkingen van de allesziende ouders te ontvluchten?
Ach, ook wij hoopten reeds lang en vurig om er eens alleen “van onder te muizen” zoals men dat pleegt te noemen. Hoeveel avonden mijn neef Patrick en ik tot in de vroege uurtjes plannen hebben liggen maken, weet niemand, zelfs wij niet, maar stilletjes rijpten onze gekke invallen en onmogelijke fantasieën tot een prachtig idee: een fietsreis doorheen West-Duitsland.
Waarom nu juist dit land? Het zat zo.
Reeds jaren bestond er tussen Brugge en Fuchsmühl een onooglijk dorpje in het Fichtelgebirgte, een briefwisseling die niet druk mag worden genoemd, maar die toch met de regelmaat van een goed gesmeerde klok liep. Bij mij thuis hadden we met andere woorden contact met een familie die mijn ma ooit eens hadden leren kennen. Het was zelfs niet alleen bij briefschrijven gebleven: er waren reeds wederzijdse bezoeken geweest waarbij het reismiddel meestal comfortabeler was dan dat wat wij op het oog hadden. Deze zomer zouden pa, ma, zus en jongste broer met de trein naar Duitsland sporen, wij zouden het zelfde doen maar dan met de fiets. We beseften echter dat zo’n onderneming met twee toch wat riskant was en daarom informeerden wij in onze vriendenkring naar eventuele liefhebbers. We vonden ze vlug. Zo ontstond er een hecht groepje dat in hun vrije uurtjes samen aan de voorbereiding van deze “uitstap” werkte. Rugzakken werden van onder het stof gehaald, slaapzakken kregen het nodige oplap werk, de fietsen werden aan een grondige poets- en herstelbeurt onderworpen en... er werd natuurlijk ook ijverig gespaard. Vijftien juli kwam als vertrekdatum in onze agenda’s te staan.
Hierna volgt een beschrijving van een reis, een zomer uit het leven van vier jonge mensen nauwelijks achttien jaar oud. Vier mensen die nimmer deze weken kunnen vergeten: weken van plezier en ontbering, weken van voorspoed maar ook van serieuze tegenslagen, weken die hun stempel drukten op hun verdere leven en die door hun herinnering dit leven alleen maar rijker hebben gemaakt.

Maandag 15 juli 1974


Ergens ver in mijn achterhoofd kroelt en kronkelt er iets dat zich maar niet laat vatten. En dan overspoelt mij een flitsende werkelijkheid: we vertrekken vandaag, we moeten er verdorie uit, de wekker staat als gek te rinkelen! Ik voel mij als een gevangene op de dag van zijn vrijlating (allé dat denk ik toch).
Patrick ligt zoals altijd helemaal onder de dekens genesteld en schijnt zich nergens van aan te trekken (wekkers hadden nooit veel invloed op hem), tot er plots ook bij hem teken van leven ontstaat en er vanonder de lakens een verwilderde bos haar opduikt. Met een prachtige grijns op zijn gezicht werpt hij het deken van zich af. Het is waarlijk de eerste maal dat ik hem zo vlug uit zijn bed zie komen. We staan op, maken er ons met een kattenwasje van af en proberen enkele boterhammen naar binnen te wurmen.
Gisteren bonden we reeds al het materiaal op de fietsen. Patrick monteerde vooraan op zijn rijwiel een rekje waarop we de tent vastsjorren en achteraan op het rooster hebben we alle vier een plankje gesnoerd zodat de propvolle rugzakken niet gaan kantelen. Daarbij nemen we heel wat voedsel mee waardoor we de eerste dagen wat uit de kosten zijn.
Na een lang en moeilijk afscheid (niet te gevaarlijk doe, opletten voor vreemden, je elke morgen goed wassen...zucht) rijden we nog wat onwennig naar het station. Eerst halen we de broers Dehulster op en als we bij hen aankomen merkt Patrick dat hij zin fotoapparaat thuis op de tafel liet liggen, dus rijdt hij terug terwijl wij naar het station (jawel het station) fietsen. Het is namelijk de bedoeling dat wij de eerste dag reeds tot in Köln komen om vandaar met de fiets zo ver mogelijk de Rijn stroomopwaarts te rijden: zo komt niemand van ons in de verleiding om bij felle tegenslag onmiddellijk naar huis terug te keren én zo komen onze ouders niet op het idee om ons per auto te volgen. Aan het station zien we Patrick, hij is samen met pa teruggekomen. Daar pa in het station werkt, kent hij nogal wat mensen en is het makkelijker om onze fietsen op de trein te krijgen. We trekken welgezind naar perron 9 alwaar we precies op het voorziene uur (de trein heeft voor een keer geen vertraging) onze gelaten vaders achter ons zien verdwijnen: ze hadden nooit gedacht dat het toch zo ver zou komen. (Na de reis hoorde ik van ma dat mijn vader, toen hij thuis kwam, bij hoog en bij laag beweerde dat we “over ten laatste een week met hangende pootjes thuis zouden staan”).
Natuurlijk zijn onze vooraf besproken plaatsen bezet: voor we de groep Engelsen aan het verstand kunnen brengen dat wij voor de plaatsen “payden” zijn we de Arteveldestad reeds voorbij en als we uiteindelijk toch neerzitten komt Brussel-Zuid in zicht. Verder loopt alles echter op rolletjes.


Köln-Bahnhoff, 10.26 uur. Een gezellige drukte overspoelt onze slaperige koppen. We moeten snel onze fietsen afhalen en daarna de stad uit geraken. Op het plein voor het station wordt alles in orde gemaakt: we tuigen onze paarden op. Met snelbinders en riempjes maken we de tent en de rugzakken terug op hun plaats vast en kort daarna wappert er aan elke fiets ook nog fier een Vlaamse wimpel. Onder veel bekijks trappen we het centrum uit. Flink zwetend (de zon kreeg blijkbaar pret in onze onderneming) zoeken we de goede richting op en als we tenslotte de B9 oprijden, is het ruim middag zodat de honger door onze magen scheurt. In de eerste de beste Bar worden de thuis klaargemaakte boterhammen met een frisse pint Duits bier doorgespoeld terwijl we informeren naar een goede kampplaats. Als we het café verlaten hebben we nog een goeie 40 km voor het stuur, maar de wind zit goed, de zon blijft lachen en de autochtonen zijn vriendelijk, dus zetten we er een vaartje achter en fietsen we opgewekt richting Bonn.
Patrick heeft zijn spiksplinternieuw fototoestel los rond zij hals gehangen om het direct bij de hand te hebben. In al zijn overmoed (of ligt aan het pintje...) ziet hij het verkeersbord niet dat naast het fietspad staat en opgeschrikt door ons geschreeuw, kan hij nog net tussen het paaltje en de huizenrij doorflitsen. Natuurlijk gaat zijn fotoapparaat daardoor aan het slingeren waarbij het met een droge smak tegen het paaltje slaat. Een paar meter verder bekijkt mijn neef beteuterd het resultaat: de lens aan diggelen zodat van fotograferen geen sprake meer kan zijn. Met een uitgestreken gezicht trekt hij het filmrolletje uit het filmhuis en als we verder rijden, wappert er naast zijn wimpel nu ook een pikzwarte strook pelicule.
Zo fietsen we over Remagen en Sinzig steeds dichter naar
Bad Breisig toe waar we zo rond 17.00 uur aankomen. De camping ligt een stukje uit het dal, de komende nacht zullen we doorbrengen aan de voet van een machtige rots waar bovenop een aardig kasteel staat. We melden ons dus aan, zetten de tent recht en maken ons klaar voor de nacht. Als alles op zijn of haar plaats staat, spreken we onze voedselvoorraden aan en vreten we op korte tijd de maccaroni, champigonsoep, pilchards, droge worst, kaas en meegebracht brood op want we hebben een gezonde eetlust en... we kwamen tot de ontdekking dat het voedsel in onze rugzakken nogal veel plaats én vooral gewicht inneemt. Na het eten bezoeken we het kasteel waarbij Patrick natuurlijk probeert hoe sterk de klimop aan de muren vastzit en of hij wel degelijk tot bij de kantelen kan klimmen. Zonder ongelukken zakken we tegen de avond naar de kantine af want we hebben nog iets te vieren: Daniël en Filip worden vandaag 18 jaar, dus laten we enkele flessen Duits fluitjesbier aanrukken en in geen tijd staat ons tafeltje vol lege flessen. Voor het 12 uur is hebben we aardig wat achterover gekipt. Voldaan omdat we de dikbuikige Duitsers aan de andere tafels ruim het meesterschap hebben kunnen afdingen, strompelen we gevieren naar buiten. Filip en ik gaan onmiddellijk naar de tent om te slapen, Daniël en Patrick verdwijnen in een heel andere richting; hun dorst is blijkbaar nog niet gelest...

Dinsdag 16 juli 1974



Het is amper 5 uur als ik, nogal versuft, mijn ogen open. Door de opening bovenaan de tent valt vaag wat licht. De aarde sluimert mistig. Patrick ligt niet in de tent! Ik rol mij met slaapzak en al naar buiten en juist voor de ingang ligt ons fuifnummer, met enkel nog een nietig slipje aan, een dauwbad te nemen. Ik wek Filip en samen trekken we mijn neef op zijn slaapzak, waar hij gewoon verder zijn roes uitsnurkt.
Er toetert een sleepboot ver weg, op de Rijn. De weergalm deint over de natzilveren tenten de morgenzon tegemoet. Ik nestel mij slaperig tegen mijn rugzak en dommel terug in.
Omstreeks 7 uur wordt ik opnieuw wakker. Daniël en Filip zijn buiten reeds naarstig aan het rondscharrelen en dus sta ik ook maar op. Patrick blijft ronken, het ene been half onder de tent uitgeschoven, zijn lippen af en toe smakkend alsof hij nog aan het nagenieten is. Ik ga mij wassen en begin nadien samen met de broers de spullen bij elkaar te zoeken. Om 9 uur staat enkel nog de tent overeind met binnenin, pardon half buiten, Patrick. Wat we ook uitproberen, hij is met geen stokken wakker te krijgen. We breken dan maar de tent op en beginnen onze fietsen klaar te maken. Er komen een paar nieuwsgierige wandelaars rond onze vriend staan. Patrick slaapt gewoon verder. Pas als het woord “emmer water” valt, ontstaat er leven in het hoopje voor onze voeten. Alsof hij van een andere wereld is, staat Patrick wankelend recht en strompelt hij half gekleed in de richting van de waszalen. Wij beginnen ondertussen aan het ruimen van zijn bagage en klaarmaken van zijn fiets. Ongeveer halfweg, ter hoogte van een familie ontbijtende kampeerders, blijft hij plots staan, draait zich halfslag in een andere richting en begint hij zalig lang te urineren. Heel langzaam, zorgvuldig zijn gulp dichtmakend, strompelt hij verder om tenslotte in de douches te verdwijnen. Pas als hij een tijdje later terug buiten komt, begrijpen we dat we vandaag nog harde noten zullen moeten kraken... Alsof hij er uitgerekend om doet, blijft hij andermaal bij de “Familie Ontbijt” staan, nu echter om er met volle overgave zijn maag te legen. Het groepje zoekt snel de veilige beschutting van hun caravan op; van een gezonde eetlust zal er bij hen vandaag niet veel sprake meer zijn.
Kotsend en steunend waggelt Patrick tot bij ons, zwaait zijn been over de fiets en zwijmelt, nagestaard door zowat de hele camping, de weg af. Wij volgen, roepend en tierend om hem wakker te houden. Nauwelijks 200 meter verder stopt onze kopman echter, trekt hij de opgerolde schuimrubberen matras vanonder zijn snelbinder en deponeert ze naast een vuilbak: “Vangt teveel wind” zegt hij brakend.
De volgende kilometers worden een ware kalvarieweg. Om de 200 meter laat Patrick zich languit op de grond vallen en telkens opnieuw moeten wij 10 minuten schreeuwen voor hij terug op de fiets wil kruipen. Zo trekt onze karavaan kilometer na kilometer verder naar Koblenz toe. Daar we reeds lang de hoop opgaven om vandaag nog in
Limburg te overnachten, hebben we tijdens een van de ontelbare “braakrustperioden” een alternatieve slaapplaats gezocht in Höhr-Grenshausen op 35 km van Bad Breisig, aan de overzijde van de Rijn.
De gezondheidstoestand van mijn neef verbetert er niet op, wel integendeel: net nadat we de brug te Nieuwied zijn overgereden, zwiert hij andermaal zijn fiets tegen de stenen en gaat hij uitgestrekt op een parkbank liggen overgeven. Het is ondertussen 13 uur door en we hebben nog niets gebikt. Daniël en Filip zoeken dus een bakker op terwijl ik Patrick wat drinken geef. Van het ogenblik echter dat hij ook maar iets durft innemen, kotst hij alles onmiddellijk terug uit. We verorberen enkele oudbakken boterkoeken en springen terug op onze fietsen om er de laatste kilometers uit te persen. Eens te meer moeten we Patrick tonnen moed inpompen en het mag hier geschreven worden dat hij onmenselijke inspanningen leverde. Wat wij deze morgen voor een late dronkenmans-roes aanzagen, blijkt een ferme galaandoening te zijn: het braaksel wordt in de loop van de namiddag steeds groener. Met een slijmspoor achter ons aan trekken we het Rijndal uit. Aan het begin van een lange klim wordt het onze vriend blijkbaar toch te veel. Midden op de weg laat hij zich als voor dood stuiken. Al wat wij nog kunnen doen is zijn fiets rechtzetten en Patrick aan de kant sleuren zodat het plaatselijk verkeer niet gestremd wordt. Natuurlijk zijn er heel wat mensen rondom ons komen staan en sommigen stellen ons reeds voor om een ziekenwagen op te roepen, maar wij menen dat dit niet nodig is. Inderdaad na 20 minuten schouders schudden en schreeuwen, komt er opnieuw wat kleur in zijn wangen en een poosje later hervatten we onze klim.
Ondertussen is het beginnen te miezelen en al vlug wordt dit een echte regenvlaag zodat we moeten schuilen in een oude verlaten steenbakkerij. Eigenaardig genoeg werkt het stortbad helend voor Patrick want hij voelt zich stukken beter. Met nieuwe moed rijden we de laatste dagkilometers af en eindelijk, glinsterend in het late zonlicht, zien we het dorp beneden ons. We bereiken gemakkelijk de camping en zetten onmiddellijk onze tent op zodat Patrick in zijn slaapzak kan kruipen. Daniël en ik gaan ondertussen inkopen doen in het dorp. Bij het terugkeren worden we andermaal verrast door een stortbui zodat we druipend de tent binnenduikelen. Daniël stuit hierbij de voorraad drinkwater om zodat Filip in een natte slaapzak mag liggen. Patrick ligt reeds zalig te maffen.
Rond 11 uur, als we na wat gezellig napraten de tent aan het afsluiten zijn, komt er plots een Nederlandse griet aankloppen (daar had Daniël natuurlijk voor gezorgd). Met een “Waar is dat zieke kleintje hier?” biedt ze ons een doosje pilletjes aan. Nadat Patrick verdwaasd enkele van de pastilles heeft doorgeslikt, leggen we ons, overvallen door een plotse vermoeidheid, te slapen.

Woensdag 17 juli 1974


We worden
uit onze onrustige slaap gewekt door het geraas van zware machines: net naast de camping is men een weg aan het asfalteren. Het heeft vannacht heel wat geregend, maar terwijl we de bagage op de fietsen aan het binden zijn, trekt de hemel terug open. Patrick is (dankzij de pilletjes?) weer helemaal de oude. Alleen, hij wil de eerste weken geen bier meer zien en dat wil héél wat zeggen.
Na het ontbijt vertrekken we richting Camberg dat we deze morgen nog hopen te bereiken. Wonderbaarlijk genoeg verloopt alles uitstekend en nog voor de middag komen we de poorten van
Limburg a/d Lahn doorgereden. We blijven er om het middagmaal te nuttigen.
Het is een vriendelijk stadje met enkele verkeersvrije pleintjes waarop een aantal bescheiden fonteintjes klaterende koelte bieden. We zoeken een prettig plaatsje op en raadplegen, onze kaart. Tot nu toe zijn we aardig wat opgeschoten en mits een kleine inspanning kunnen we vandaag zelfs nog tot in Frankfurt komen.
We laten er daarom maar geen gras over groeien en vertrekken in twee groepen. Filip en ik rijden eerst, Daniël en Patrick volgen, na het opslaan van wat drank (fruitsap!) voor onderweg.
Reeds in de eerste afdaling buiten Limburg gebeurt het verwachte. Ik rijd ongeveer 40 tot 50 km per uur (afdaling van 8%) als een zware vrachtwagen mij voorzichtig aan het inhalen gaat. De weg is echter niet zo breed en samen nemen we wel 3/4 van de plaats in als er plots van over de volgende helling een tegenligger opduikt. De vrachtwagen moet dus naar rechts. De bestuurder duwt zijn gaspedaal diep in en kan mij nog net achter zich laten, maar het dichte uitwijken en de slagwind doen mij van de wegverharding afwijken zodat ik hals over kop in de graskant beland: stuur krom, Vlaamse wimpel afgerukt en gescheurd, mijn haar vol bladeren en wat aarde tussen mijn tanden, verder niets. De bestuurder van de vrachtwagen komt verschrikt uit zijn stuurcabine gesprongen maar ik kan hem overtuigen dat er niets gebroken is. Ook Filip is op zijn pedalen teruggekeerd om mij recht te helpen en samen kunnen we onze weg vervolgen.
Om 3 uur komen we te Esch aan waar we op de anderen zullen wachten voor we de 15% steile klim uit het dorp beginnen. Voor het eerst worden onze kettingen echt op de proef gesteld want we vertikken het om, zoals Patrick en Daniël, van onze fietsen af te stappen om te voet verder te gaan. Achter elke bocht dreigt de opgave, maar we bijten op onze tanden, trekken nog wat harder aan ons stuur en bereiken na 10 km. eindelijk het hoogste punt met als beloning de afdaling naar
Königstein. Half vliegend komen we de stad doorgestoven, verbaasde voetgangers achter ons latend. We dalen verder af naar Oberursel waar we volgens afspraak op de anderen zullen wachten. Voor ons ligt Frankfurt te schitteren in de namiddagzon.
Na 2 uur bang afwachten, komen Daniël en Patrick het rond plein opgestoven. Wij dachten op dat moment reeds aan het verwittigen van de politie. Ze hadden zo’n pret gehad in de afdaling naar Köningstein, dat ze zonder op te letten zowat 10 kilometer te ver waren gereden, zodat ze ten slotte verbaasd ergens in Sossenheim op de autostrade belandden. Terugkeren dus, maar dan bergop! In de laatste afdaling was de verkeerspolitie naast Patrick komen rijden om hem heel beleefd me te delen dat hij ongeveer “80 pro uhr” aan het vliegen was. Patrick had gewoon niets geantwoord, zijn nek nog wat dieper tussen zijn schouders gebogen en hen achter zich gelaten.
Samen zoeken we het kampeerterein op. We fietsen over Weiskirchen en Niederursel dieper de stad in tot we de Nidda en de Urselbach kruisen. Aan de samenvloeing van beide riviertjes ligt de camping die er tussen haakjes gezegd nogal slordig uit ziet, om niet te zeggen smerig! We plaatsen de tent ergens in een afgelegen hoekje en gaan inkopen doen. Schandalig gewoon wat men hier durft te vragen voor een brood en een paar nietige, halfvergane bananen. Tegen de avond sluiert de hemel dicht: hopelijk wordt dit geen regen. De grootstad zindert, het centrum ligt blijkbaar niet ver. Nochtans duurt het niet lang voor wij één na één in een gezonde slaap vallen.

Donderdag 18 juli 1974


De hele nacht was er lawaai in de buurt van de tent, niettemin hebben we precies onze winterslaap achter de rug. Buiten is het mistig en koud. De lucht ziet asgrauw en elk ogenblik kan er een miezerige motregen uitvallen. Patrick glijdt onmiddellijk terug in zijn slaapzak: met zo’n weer wil hij gewoon niet op de fiets. Desondanks besluiten we deze rotcamping toch maar te verlaten en we rijden, nadat we onze beurs niet minder dan 14,00 mark lichter moesten maken, naar het centrum.
Ondertussen “valt de mist uit”. Op de hoek van een groot kruispunt ontdekt Daniël een apotheek: hij heeft reeds heel de reis last van hooikoorts (door de tentlucht?) en wil daar iets aan doen. Als hij terug buiten komt toont hij grijnzend de pilletjes en... een pulletje echte zonnebrandolie. De bedrukte stemming van deze morgen verdwijnt op slag en lachend rijden we de stad uit, richting
Hanau.
Net buiten Frankfurt centrum, zien we een supermarkt en dat schudt onze magen wakker want we hebben weeral eens vergeten te ontbijten. Enkele ogenblikken later staan onze fietsen netjes tegen de muur van het grootwarenhuis opgesteld en stormen wij, elk gewapend met een karretje, naar binnen. Patrick drinkt een fles limonade leeg, neemt een andere in zijn kar en vraagt aan de kassa statiegeld voor de eerste. Hij krijgt het nog ook! Terug buiten, zetten we ons zo goed en zo kwaad als het kan uit de wind en de regen om er als hongerige hyena’s het pas gekochte voedsel te verscheuren. Netjes als we zijn, deponeren we nadien alle afval in de rolkarretjes en sturen die terug de winkel in. Als we Hanau doorgereden zijn, stuiten we op een hindernis in de vorm van een op de autostrade doodlopende weg. We moeten vele omwegen maken en spenderen aldus de rest van de morgen om ten slotte toch een voor fietsers toegankelijke brug te vinden die ons over deze hindernis leidt.
De grootstad is nu achter ons. Voor ons ontplooit er zich een prachtig natuurgebied met bossen en golvende heuvels. Er duiken echter nieuwe moeilijkheden op: na zowat een uur rijden vinden we nog steeds geen richtingsaanwijzers naar Gelnhausen. (In Frankfurt Stad hadden we tijdens een van onze vele schuilpartijen een oud mannetje de weg gevraagd. Toen we hem vroegen hoe we naar “Gelnhsn” - zo stond het toch op onze kaart - moesten, trok hij grote ogen: bestaat niet. We toonden hem de wegenkaart, hij lachte zich krom waarna hij duidelijk maakte dat het om de afkorting ging van Gelhausen dus. Zo zie je maar). Gelukkig is de redding in zicht: als we het bos uitkomen, duikt er een betonwerkplaats op waar we eindelijk mensen ontmoeten die we de weg kunnen vragen. Terwijl we dit doen, probeert Daniël - die zich wil amuseren zeker - een helling vol kiezels af te rijden. Het onvermijdelijke gebeurt: zijn voorwiel slaat om en Daniël komt netjes op zijn borst de helling afgedweild, niet zonder ook met zijn knieschijf door het grint te schuren. Hij houdt er een pracht van een schaafwonde aan over.
Eens te meer kan zijn apotheker-honger worden gestild, want van op de werf komt hulp opdagen en in geen tijd is de wonde ontsmet en krijgt hij er bovenop een pak zalfjes en hulpverband mee voor de naverzorging en voor “als”. Vanaf nu loopt alles weer gesmeerd (buiten de knieschijf van Daniël natuurlijk). We fietsen over Niederhasslau, Meerholz, Hailer en Gelnhausen naar Bad Orb. Onderweg stoppen we bij een kraam om er “echte Duitse braadworst” te kopen en zo de opkomende honger te stillen. Van Bad Orb rijden we over
Burgjoss (een enig plaatsje!) naar Burgsinn aan de Aura. Het is reeds 5 uur als we er aanbelanden. De laatste beklimming willen we samen ondernemen: ze leidt over Neues Schloss zodat we 16 kilometer uitwinnen (in plaats van over Gemunden te rijden). De weg gaat echter zo steil dat we alle vier van de fiets moeten om te voet naar boven te strompelen.
Als ik de top bereik (een klim van 220 meter over minder dan 4 kilometer) is Filip reeds naar beneden aan het suizen en zijn Patrick en Daniël achter mij niet meer te bespeuren. Ik spring op mijn fiets en begin aan de afdaling.
Ongeveer 300 meter verder zie ik plots Filip voor mij uitrazen. Mijn snelheid begint op te lopen en ik word zenuwachtig. Er zoeft een verkeersbord voorbij: we zitten op een afdaling van 17%. Onmogelijk! Ik rijd niet meer maar donder als een gek de berg af. De weg voor me is soms niet te zien, ik weet niet hoe ik moet sturen, kan gewoon niet meer stoppen en hoop het beste. Ver beneden mij zie ik Filip op een zwaar beladen hooiwagen afrazen. Hij kan die net ontwijken. Ik ga op de dwarsbuis van mijn fiets zitten en zet mijn beide voeten op de rijweg; helpt niet; ik rem uit alle macht; een walm van verbrand rubber slaat in mijn gezicht en mijn zolen lopen warm aan; er springen kiezelsteentjes onder uit. Mijn ogen tranen en ik voel een onbeschrijfbare vreugde in mijn angstig hart; ik snak naar lucht; ongelooflijk heerlijk!
De mensen in
Gräfendorf (sic) staan voor hun deur Filip na te gapen terwijl ik als een wervelwind het dorpstraatje kom door gestoven. Ik rem in de macht van het mogelijke en kom eindelijk tot stilstand. Daniël en Patrick komen ook de helling afgestormd, als gekken; althans dat roepen de mensen hen na. Als we wat bekomen zijn wil Patrick terug naar boven om alles nog eens over te doen, maar we kunnen hem gelukkig van zijn plan afbrengen. Napratend over deze unieke ervaring, rijden we in de richting van Weickersgrüben want net voor dit klein dorpje moet er ergens een camping liggen. Inderdaad als we zo’n 6 kilometer achter de rug hebben duikt de Rossmühle op. Lachend en roepend rijden we de brug over de Saale over, de camping binnen. Er komen een paar mensen toegelopen die ons onmiddellijk een plaatsje tonen terwijl Patrick ons inschrijft.
We liggen hier beestig goed. Er is een overdekt zwembad, een schitterend waslokaal met douche (maar dat hebben we nodig want als we de tent uit kruipen, kunnen we zo een frisse duik nemen in het riviertje), een uitstekende winkel waar we alle nodige zaken kunnen aanschaffen én mooie grietjes. Enkele Nederlandse toeristen helpen onze tent opzetten terwijl we aan een “bakkie lekkere Hollandse koffie” slurpen. We bestellen 3 Jägerschitzel en één kip en al etend vertellen we aan de bereidwillige luisteraars onze wedervaren. Filip zit op zijn kippetje te wachten en we doen hem het water in de mond komen. Sommigen trekken grote ogen als ze horen dat we vandaag met de fiets van Frankfurt komen.
Na het eten, terwijl Filip smakkend zijn kippetje aan het verorberen is, gaan we naar het kampvuur kijken dat hier eens in de maand op de helling wordt ontstoken. De hemel staat vol sterren, het vuur waar rond Fransen, Engelsen, Duisters, Hollanders en nu ook Belgen zitten, verspreidt een volle rode gloed over de heuvelflank. Om 00.30 uur zitten we er nog...

Vrijdag 19 juli 1974


Als ik de rits van mijn slaapzak opentrek, schijnt de zon reeds met volle gloed door het gat in de nok van de tent. Overal rondom mij spelen de schaduwen van bladeren en vogels hun spel op de tentwand en de heerlijke geluiden van een nieuwe kampdag overspoelen mijn schimmige droomherinneringen: de afdaling van gisteren heb ik deze nacht wel 100 keer overgedaan. Ik sta op en wek de anderen.
Daniël en Patrick zullen deze morgen rechtstreeks vanuit hun slaapzak de rivier induiken, althans als zijn hun woord van vorige avond houden. Nu blijkt dat zij hun met alcohol verrijkte overmoed met zware tol zullen moeten betalen: het water is namelijk ijzig. Dany kiest voor de gemakkelijkste oplossing en duikt onmiddellijk, Patrick heeft echter eerst een bereidwillige hand nodig voor hij, na meer dan een half uur van aarzelend bibberen en luid vloeken, kopje onder gaat. Vijf seconden later staat hij zich reeds aan te kleden. We ontbijten en breken op.
Vandaag komen we tot de ontdekking dat onze fietsbanden reddeloos plat staan en we geen fietspomp bij hebben. We moeten op een of andere wijze aan lucht geraken.
Natuurlijk is het ventielsysteem in Duitsland anders dan bij ons zodat ik een gloednieuw gekochte fietspomp op het stort mag deponeren, niet voor ik mijn woede op het voorwerp heb gekoeld. Gelukkig kan een garagehouder ons ten lange leste uit de nood helpen en worden de fietsbanden met behulp van een autobandpomp op voldoende spanning gebracht: we kunnen verder. Om 12 uur verlaten we reeds Hammelburg en beginnen we aan een bikkelharde klim naar
Schweinfurt, waar we rond 13.15 binnenrijden. De stad stikt van de Amerikaanse wagens en soldaten zodat we de indruk hebben dat we in de States zijn aanbeland. Van Schweinfurt doelen we op Bamberg, maar daar zullen we deze avond niet meer geraken. Ongeveer 19 kilometer vroeger steken we te Hassfurt de Mainz over om ergens in de heuvels rond Neuschleichach een camping te zoeken waar we moederziel alleen onze tent opzetten. De beheerder klaagt steen en been over het zomerweer: we zijn vandaag dus de eerste en enige bezoekers. We maken ons avondeten klaar en zoeken na een late wandeling (waarbij we onder andere een forellenkwekerij bezoeken waarbij Patrick het jammer vindt dat hij al gegeten heeft) onze “schuine” slaapstee op.

Zaterdag 20 juli 1974


Deze nacht ben ik herhaaldelijk onder het tentzeik doorgegleden, blijkbaar heb ik ook niet zo best geslapen. De helling waarop onze tent staat bleek dus steiler dan we aanvankelijk dachten, zodat ik vanmorgen half buiten lag: gelukkig regende het niet meer.
Als we afrekenen staan de campinghouder en zijn vrouw nog wat met ons te praten. Daniël scharrelt ondertussen zijn kleingeld bijeen. We zitten tamelijk krap zegt hij. De arme mensen denken waarlijk dat het niet breed hebben en schenken ons het verschuldigde bedrag kwijt: we hebben waarlijk goedkoop geslapen. Onderweg naar Bamberg begint het weer te regenen.
Niettemin houden we er een goede tred in, want in nog geen uur tijd overbruggen we 25 kilometer en in een heuvellandschap is dat nog zo slecht niet. De Main vloeit breed aan onze linkerzijde, wij zwoegen en zweten op onze zwaarbeladen fietsen en trekken zo het prachtige land dieper en dieper binnen. De centimeters en meters rijgen zich aaneen tot kilometers. Hoeveel omwentelingen zouden mijn wielen reeds gemaakt hebben sinds Keulen?
In
Bamberg stappen we een winkel binnen om er de kortste weg naar Bayreuth te vragen en op aanraden van een allervriendelijkst dienstmeisje slaan we enkele minuten later een binnenweg in... hadden we dit maar nooit gedaan! We peddelen naar Pödeldorf en rijden zo over Naisa en Litzendorf naar Lohndorf (gaat u maar na) waar ons een koud stortbad wacht: we moeten terugkeren, rechtsomkeer maken, zurück gehen want er zijn uitgerekend vandaag autorennen in de heuvels en niemand mag door, ook geen Belgische fietsers.
Als we in Litzendorf terugkomen, rusten we een klein uurtje uit om ons ontbijt te nemen. De moed is diep in onze natte schoenen gezonken als we rond 13.00 uur terug de heuvels intrekken: overal om ons heen is er regen en mist; we zijn doorweekt, de kap van mijn regencape is gescheurd; mijn hoofd dus onbedekt; de klitten haar hangen in mijn ogen. Het water in onze schoenen sopt eentonige liedjes en onze remmen konden we evengoed thuis hebben gelaten. Eindelijk staan we terug op de goede weg, althans dat denken we, want pas hebben we enkele meters gereden of we komen tot de onthutsende vaststelling dat we op een autostrade zijn beland. Die staat zelfs niet op onze kaart. Na een korte beraadslaging besluiten we het er maar op te wagen want we zijn het meer dat kotsbeu steeds maar nutteloze kilometers af te malen en dus rijden we alsof er geen druppeltje aan de lucht is het groot en duidelijk “Autobahn”-bord voorbij, de autostrade op...
Het wordt een keiharde klim van 10 kilometer en de mist blijft aandikken. Geschrokken automobilisten zoeven ons toeterend voorbij: wij klimmen onverstoorbaar verder.
Na de inspanning volgt normaal de beloning, eenmaal de top over strekt er zich voor ons een kilometerslange afdaling uit: Patrick, Filip en Daniël verdwijnen in de mist. Ik blijf alleen achter en laat mij gewoon rijden: de zwaartekracht doet zijn werk.
Alles zou zo erg nog niet zijn indien ik zou weten hoever we nog moeten, maar nergens is er ook maar een aanwijzing te bespeuren en een fietspomp of materiaal voor het herstellen van lekke fietsbanden heb ik niet, want dat zit bij Patrick die ergens ver voor mij uit door de mistbanken suist. De autostrade blijkt een ware slachtbank te zijn: niet alleen voor de honderden platgereden slakken, de tientallen konijnen hazen, egels en ja zelfs vossen die ik langs de rand van het wegdek opmerk, maar ook in belangrijke mate voor mij. Door de hoge snelheid is het bepaald onmogelijk om mij tegen de regen te beschermen. Het water dringt overal door.
Een goede 20 kilometer verder staan ze dan aan de kant van de weg op mij te wachten. Nog enkele kilometers verder versmalt de weg terug en verlaten we zonder ongelukken de snelweg. Tot onze grote vreugde zien we ook nog een bordje: 14 km naar Bayreuth. We zijn nagenoeg kappot gereden maar er is nu nieuwe moed. In de verte ligt de stad. Normaal hadden we vandaag reeds Fuchsmuhl kunnen bereiken, maar de tegenslagen waren te veelvuldig dus overnachten we maar in
Bayreuth. De mist is helemaal verdwenen en het regent minder hevig als we de camping oprijden. We bevinden ons op nog geen 2 kilometer van de stadskern zodat we makkelijk te voet naar het centrum kunnen wandelen om er iets eetbaars te vinden, maar alsof we nog niet genoeg op ons dak hebben gekregen, blijken alle winkels gesloten op zaterdagnamiddag. Zullen we voor de verandering maar eens met een lege maag in onze slaapzakken kruipen? Als de nood het hoogst is, is een geopende bar nabij. Na een lange en vruchteloze zoektocht (reeds rijpte in onze geest het vunzig plan om enkele argeloze voetgangers te beroven), ontdekken we een kleine zij het wat duistere bar die nog open blijkt. We stormen binnen en bestellen 4 schotels. Ik vraag onmiddellijk een dubbele portie frieten en Patrick nog een schotel Jägerschnitzel met een cola. We vreten als dieren alsof we in geen dagen eten zagen. Patrick vraagt nog een portie frieten, het dienstmeisje kijkt op. Patrick bestelt 2 cola’s in eens (zo moet ze minder lopen), het dienstmeisje kijkt andermaal op. Als Filip en en ik naar de camping terug wandelen vraagt Patrick of ze nog wat broodjes kunnen brengen: het kind brengt gelaten het gevraagde. Ik lig reeds zalig te maffen als Patrick en Daniël de tent binnenglijden. Stof genoeg voor 100 jaar dromen...

Zondag 21 juli 1974


Ondanks de uitputtende avonturen van gisteren worden we reeds in de vroege morgen van de éénentwingste na een korte maar opwekkende nacht wakker. Wat doet het er toe dat de lucht nog steeds asgrauw ziet: we voelen ons kiplekker want vandaag bereiken we eindelijk ons doel, dat staat als een tent boven water!
We proppen elke een zeemvellen broodje achter de kiezen en zorgen er ondertussen voor dat de tent van de camping verdwijnt. Begeleidt door het ons langzaam zo vertrouwd geraakte regenvlaagje, razen we de nog sluimerende stad uit, kruisen de autoweg naar Berlijn en trekken de heuvels in, richting Fuchsmühl. Ook bij ons zullen de laatste loodjes het zwaarst wegen want we peddelen ondertussen reeds 4 dagen gemiddeld 100 kilometer per etmaal af en dat kruipt aardig in je benen!
Hier begint het Fichtelgebirge een fantastische streek als je de tijd hebt om je ogen de kost te geven en dat doen we. Sommige ogenblikken rijden we langs steile afgronden, op andere momenten volgen we gedurende enig mooie kilometers de loop van een schilderachtig riviertje... Daar het opgehouden heeft te regenen trekken de wegen stilaan droog. Na 25 kilometer ontdekken we in
Warmensteinach een winkeltje dat op deze prachtige zondagmorgen nog zijn deuren niet gesloten heeft. We vallen binnen en kopen er met onze laatste marken een stapel voedsel dat we onmiddellijk de weg naar onze magen leren kennen. Het winkeltje wordt achter onze rug gesloten: we hebben geluk gehad. Rond 13.00 uur starten we opnieuw om er de laatste kilometers uit te persen. Het begint natuurlijk met een klim over 20 kilometer tot Marktredwitz, over Fichtelberg. Nu we de 1000 meter overschreden, gaat het veel gemakkelijker want dalen wordt voor de rest van de middag min of meer de hoofdbrok, of voelen we de hellingen niet meer? Ook de wolken doen hun duid in het zakje: de hemel trekt open en als we na een laatste klim Marktredwitz onder ons zien liggen, komt er zelfs een zonnetje tevoorschijn. We beginnen aan de laatste 10 kilometer. De omgeving begint mij bekent voor te komen: ik was hier namelijk een aantal jaren geleden met mij broers op bezoek, met de auto natuurlijk. We rijden als zotten; Daniël en Patrick liggen 100 meter voorop, maar de kloof wordt met de minuut kleiner.
En dan komt het, na een laatste helling verschijnen plots de twee torens van de kerk van Fuchsmühl, een jubelkreet barst in mij los, perst de lucht uit mijn longen en doet tranen in mijn ogen springen: al roepend en tierend razen we naar beneden en zetten het dorp in rep en roer. Een oud kromgegroeid vrouwtje wordt door Patrick ei zo na in de graskant gereden. We rijden als duivels en zijn niet mee te stuiten.
Patrick krijgt een vliegje in z’n oog en ik zoef hem voorbij. Mensen in het dorp kijken de 4 schreeuwende en zwaar bepakte kerels onthutst na. Ik draai de weg in die juist naast de herberg ligt en tuimel bijna over de kiezellaag die nieuw is aangebracht voor het huis van Hubert.
Lieve staat kersen te plukken in de voortuin en gilt het uit. Ma en Marga stormen buiten met achter hen aan Pa en Koen. De anderen komen nu ook de straat ingestoven: Patrick laat alles gewoon vallen waar hij staat: WE ZIJN ER IN GESLAAGD!!
De buren loeren onbeschaamd vanachter hun gordijnen terwijl we doodmoe maar intens gelukkig het hek naar de voordeur openzwaaien en het huis betreden. Hier kunnen we onze bagage uitkippen en het vuile linnen laten wassen, hier kunnen we eten aan een tafel en wat voor eten: Marga is een echte koningin in de keuken en die doen we dan ook alle eer aan. Hier kunnen we in een luie zetel zitten of een wandeling maken als we niet te moe zijn van niets te doen. Hier mogen we onze tent achter in de tuin opzetten op een mooi plekje niet geplaagd door aanhoudende regenvlagen, want de lucht is nog nooit zo blauw geweest als vandaag.
We zullen er 2, misschien 3 dagen blijven en uitrusten voor we de langere terugweg naar Brugge aanvatten.

Maandag 22 juli 1974


Vanmorgen beleven we lekker lang ronken: gewoonlijk zitten we om 8 uur reeds kilometers in het zadel. We hebben toch niets te doen, het weer blijft gewoon prachtig en het eten wordt op een verrukkelijke wijze door onze privé-kok klaargemaakt: we vreten een schandaal.
Na een bachanaal ontbijt wandelen we naar Hakkelstein. Daar bezoeken we een hoop los door elkaar gesmeten stenen die de inspanning van het wandelen wel waard zijn. Natuurlijk beklimt Patrick een van die dingen, iets wat ik hem niet nadoe, want we zitten hier toch op meer dan 900 kilometer van huis en dan denkt men twee keer na voor men aan zoiets begint.
Na de middag gaan we zwemmen in een van die lieve kleine meertjes in de omgeving van het dorp. Het water is ijskoud en ik blijf wijselijk aan de kant genieten van het prachtweertje, langzaam roosterend in de zon. Daniël trekt echter zonder pardon zijn bovenkledij uit en staat te springen als een kikker die net een poel heeft ontdekt. Hij heeft geen last van de kou en zwemt er lustig op los. Ondertussen volgen wij de loop van een riviertje en genieten we van de kalmte, het groen, de zachte glooiingen in alle eenvoud en schoonheid daar aanwezig om de mens te behagen. Tot rust komen met een koele boomstam achter de schouders, je ogen dicht, vergeten dat je er bent. Niet denken aan murmelende beekjes, fluitende vogels, want dat is boekentaal. Wel de ruimte gewoon over je heen laten vloeien en je zintuigen laten werken zoals ze een miljoen jaar geleden werkten: voelen dat er leven is...
‘s Avonds eten we als evers: waar halen we die eetlust vandaan? We kijken wat TV en rentenieren in een clubzetel met een natje en een droogje: het schijnt dat de Ronde van Frankrijk er weeral eens opzit en dat er op Cyprus een oorlog is losgebroken. Als men op reis is weet men van de wereld niet.

Dinsdag 23 juli 1974




Vanmorgen het zelfde scenario
als gisteren: lang slapen en goed eten, met andere woorden de luierik uithangen.
In de namiddag gaan we met Hubert op stap en bezoeken we eerst een “Heilbron” waarvan het water naar stront ruikt. Als je je neus dichtknijpt smaakt het inderdaad nog zo slecht niet. Daarna mogen we elk nog eens schieten in de schutters club waarin Hubert een belangrijke functie heeft. Er hangt een serene sfeer in het lokaal: alles straalt een ceremoniële rust uit. Jagen zou hier een deel van de biologische kring zijn...
‘s Avonds, na een overvloedig maal (maar dat wist u reeds) trekken we het tentzeil extra vroeg dicht want morgen vangen we de terugtocht aan en dat wordt een een harde dobber.

Woensdag 24 juli 1974


Als we om 7 uur opstaan is de hemel dichtgetrokken maar ja, da’s geen spectaculair nieuws meer. Marga was deze morgen reeds bij de bakker: ze kocht er 100 broodjes (écht)! Daarvan verslinden we er 50 onmiddellijk en stoppen we de rest in onze rugzakken: voor onderweg. Gisteren zochten we ook de dorpssmid op om de bagagedrager van Daniël terug vast te laten lassen. Dan komt een andere last: die van het afscheid nemen. Iedereen wenst ons met tranen in de ogen een goeie terugreis, ik beloof aan Marga dat ik haar elke dag een kaartje zal sturen, tot we terug thuis zijn. Zelfs de hemel doet ons “uitgelijde”: als we met heimwee in het hart de Jozef Seitz Strasse uitrijden begint het te regenen. Reeds in de eerste kilometer kom ik ten val want ik vervoer nu de tent vooraan op mijn fiets en dat is wel even wennen. Het blijft maar regenen en als we omstreeks 13.30 in Bayreuth aankomen zijn we voor de verandering weer al eens doorweekt. We zoeken onze “oude weide” op en zetten in de gietende regen onze tent recht. Patrick en Daniël zijn het rotweer beu en willen deze nacht in een school slapen die pal naast de camping ligt. Dit komt goed uit want de tent staat zo schuin dat de regen er doorheen loopt en we amper met twee een ietwat droge plaats kunnen vinden.
Ik vertrek naar de stad om er inkopen te doen. Onderweg merk ik aan mijn linkerzijde “Wahnfried”. Ik als muziekfan naar binnen natuurlijk maar korte tijd later komt een toezichter
mij vertellen dat de zaak dicht gaat. Ik probeer hem duidelijk te maken dat ik helemaal uit België kom en dan nog met de fiets en dat men mij gezien de korte bezoektijd evengoed niet had kunnen binnenlaten en... Hij hoort me zelfs niet en sluit kordaat de zaak achter mij af. In de weinige minuten die ik er was zag ik toch een hoop decors van opera’s, de schrijftafel en piano van Richard Wagner en het stemorgeltje van Liszt.
Om 6 uur kom ik terug op de camping. Kletsnat kruip ik in mijn slaapzak. Buiten blijft die verdomde druilerige regen op het tentzeil slaan; het wil maar niet ophouden. Het duurt dan ook erg lang vooraleer ik kan inslapen.

Donderdag 25 juli 1974

Deze morgen word ik om 4 uur wakker: mijn slaapzak ligt onder het tentzeil uitgeschoven en mijn voeten zijn doorweekt. Het regent nog steeds en de tent drupt nu langs alle kanten: ik word er nog gek van! Na een half uurtje dommel ik terug in.
Het is zeven uur als Patrick en Daniël ons uit de tent komen gooien: ze hebben zalig en helemaal droog (de sadisten!) onder het afdak van de speelplaats van de school geslapen. Mijn slaapzak is doornat, het grondzeil is nat, ik ben nat, alles is NAT. We vertrekken naar Bamberg. Het heertje dat bij ons vorig bezoek het geld kwam opvragen is nog niet aangekomen en daar maken we dankbaar misbruik van en verlaten de camping na een gratis nacht. Het blijft maar regenen. Pas na 25 kilometer mindert het en klaart de hemel wat uit met hier en daar een stukje blauwe lucht. Dit schept moed. We rijden door een smalle valei met prachtige rotswanden en spelonken.
Als we uiteindelijk in Bamberg aankomen, zoeken we op aanraden van hét winkelmeisje (jawel dat van de vorige keer!) de Jeugdherberg op die we na lang zoeken aan de rand van de stad vinden. We moeten wel nog tot 16.00 uur wachten want de Jeugdherbergvader (wat dat ook weze) is er nog niet en eigenlijk kunnen jongeren zonder een lidkaart niet binnen. Als hij tenslotte aankomt en hoort (en ziet) welk een lijdensweg we reeds achter de rug hebben, laat hij zich vermurwen en ziet hij door de vingers dat we geen lid zijn. Hij laat zelfs toe dat we de tent in zijn garage te drogen hangen. We schrokken netjes ons avondeten op (in de eetzaal kijken een troep jongeren ons met grote ogen aan). Daniël vindt een “supperbroodje” uit: een boterham met als beleg boter, banaan, kaas, tomaat en salami, kortom gewoon alles wat op tafels staat. Dit alles bestrooit hij daarenboven met een veel te grote hoeveelheid peper en zout. Hij krijgt het ding met moeite tussen zijn tanden. Nadat we onze kamer in orde hebben gebracht, gaan we nog wat televisie kijken. Er zitten ook enkele jongens uit Canada te kaarten. Om 22.00 uur gaan we maffen. Door het raam schijnen duizenden lichtjes van de stad. Boven de bergen dreigen donkere wolken.

Vrijdag 26 juli 1974


Om 7.00 uur word ik wakker, ik heb echt goed geslapen. We staan op en maken ons boeltje in orde. Nadat we ontbeten hebben nemen we afscheid van de Jeugdherbergvader (sic) en rijden we in de richting van Schweinfurt. Voorlopig is het vlak want de weg loopt langs de Main. Na zowat 2 uren fietsen, stoppen we in Hassfurt om er iets te eten. Het is een van die stadjes die net als Brugge toegangspoorten heeft: zowel om de stad binnen te rijden als te verlaten moet men onder zo’n poort door. We blijven wat in de stad hangen. Al slenterend over het marktplein en rondlopend door de winkelstraat ontdekken we een kraam dat niet alleen worst maar ook friet verkoopt. Voor het eerst sinds een week eten we frieten uit een puntzak. Omstreeks 12.00 uur rijden we dan verder naar Schweinfurt. Zowat een week geleden bezochten we deze stad ook: als we het grootwarenhuis binnenstappen lijkt het wel alsof de mensen er ons nog kennen. Ik ga in de stad op zoek naar een postbus want ik heb aan Marga beloofd om elke dag te schrijven en belofte maakt schuld. Als ik terugkom hoor ik volgend verhaal: Patrick en Daniël liggen voor de winkel op het voetpad te eten. Op een bepaald ogenblik ziet Patrick, die droog brood ligt te eten, een oud vrouwtje naar hem toesloffen. Ze geeft hem een stuk van 2 mark en zegt: “Für dich und deine freund, zum essen”. Natuurlijk hebben we er drank mee gekocht.
Om 15.00 uur rijden we de stad uit. Daar we vandaag geen zin hebben om op een camping te slapen zoeken we een dorpje uit dat wat weg ligt van de hoofdbaan. We kozen voor
Obbach. Als we er aankomen vragen Patrick en Daniël aan een boertje of we in zijn schuur mogen slapen. Het antwoord laat zich raden. Toch zijn de mensen vriendelijk want als we een helling opzwoegen krijgen we welgemeende aanmoedigingen. Voor mij staan er twee pachters tegen een boom geleund. Ze roken hun pijpjes. Ik vraag of ze hier nergens in de omgeving geen camping kennen (leep leep, erg leep). De boertjes zeggen dat dit niet zo is maar dat we wat hen betreft zeker in het veld mogen slapen (voila!). We merken een boomgaard en plaatsen er onze tent onderaan de helling, goed beschut tegen de wind. Daar de hemel vandaag mooi blauw bleef, durven we deze nacht eens slapen zonder de opening bovenaan de tent af te sluiten.
Prachtige streek is dit hier. Het bos voelt koel aan. Als ik terug kom van een wandeling schiet er een wezel over de weg. Hij blijft eventjes in de graskant staan om mij nieuwsgierig aan te kijken. Pas als ik mijn been wat beweeg, verdwijnt hij in de tarwe. Ik kruip in mijn slaapzak en val nagenoeg onmiddellijk in slaap.

Zaterdag 27 juli 1974


Als Patrick wakker wordt, lig ik reeds door de tentdeur naar buiten te kijken. Deze morgen zat er een vogel in de nok van de tent naar binnen te loeren. Hij begreep het duidelijk niet. Toen ik bewoog, vloog hij schreeuwend weg.
Het is reeds behoorlijk warm, dus maken we de anderen wakker en rond 09.00 uur vertrekken naar Hammelburg. Natuurlijk begint het weeral eens met een zware klim (dit las u wel vroeger reeds). Na een tiental kilometer beginnen we aan een afdaling met heel wat haarspeldbochten. Patrick en Daniël zijn reeds na enkele seconden uit het zicht verdwenen. Filip en ik zijn de sterksten als het op klimmen aankomt, maar als de andere twee aan een afdaling beginnen, kunnen we maar best zwijgen: doodsverachting noem ik dat! Als ik na enkele minuten vliegwerk een scherpe bocht uitdraai, zie ik voor mij Daniël op de kasseien liggen met boven op hem zijn fiets. Hij beweegt niet. Rechts staat een kleine autootje aan de kant. Daniël heeft het aan 60 per uur geramd. De bestuurder van de auto komt haastig afgelopen om te zien of Daniël nog leeft. Hij bloedt als een zwijn (niet kwetsend bedoeld hoor) maar staat uiteindelijk toch recht. Er komen een aantal mensen uit de huizen gelopen, ze nemen Daniël mee naar binnen en ontsmetten zijn opengereten kniewonde. De mooie dikke korst (zie vroeger) is er weer helemaal afgeschuurd. Daniël krijgt hulpverband (nr. 4) en twee tubben zalf (nr. 5 en 6). Ondertussen kwam Patrick terug op zijn wielen, hij zegt dat hij reeds in Hammelburg zat. Na een kwartiertje kan Daniël terug op de fiets. Deze is in tegenstelling tot zijn berijder, wonder boven wonder ongeschonden.
We rijden dus Hammelburg binnen en zoeken snel de weg op naar “De Hollander”. Als we op de camping aankomen is die blijkbaar reeds vertrokken. We zetten onze tent op net de zelfde plaats als op 18 juli. en eten de ingeblikte Goulach op die Marga ons meegaf. ‘s Avonds gaan we terug in het restaurant eten. Voor ons zitten er twee meisjes. Patrick en ik gaan er gewoon bijzitten (éérst Patrick), nadien komt ook Daniël aanschuiven en wat later geraken we voltallig. Om middernacht gaan we slapen. Er staat een prachtige sterrenhemel: zouden ze die in België ook zien? Filip vindt zijn zaklamp niet en ook de kaarsen blijken zoek dus kruipen we maar op de tast in onze slaapzakken.

Zondag 28 juli 1974


Ik wordt om 08.00 uur wakker door het geraas van een trein. Gisteren besloten we om hier een volledige dag te blijven want we zijn moe en zo kan de lelijke kniewonde van Daniël ook wat genezen. De winkel is reeds open en ik koop wat brood en een pot confituur. Patrick koopt hem later - aan een voordeligere prijs, wat dacht je - af. Zijn Duits geld is bijna op en we zitten nog zeker 5 dagen van de Luxemburgse grens af.
Om 10.00 uur ga ik wandelen en ik loop langs de andere kant van het riviertje. Ter hoogte van onze tent aangekom, zie ik dat Filip aan het baden is. Daar ik mijn zwembroek toch aan heb, kleed ik mij uit, rol mijn kleren in een bolletje en zwem met één hand over. Net voor ik de andere oever bereik, glijden mijn schoenen in het water. Ze zouden jammerlijk verdronken zijn ware het niet dat de vriendelijk buurvrouw net op tijd een reddende hand toesteekt.
We leggen ons te zonnen en lezen enkele boekjes die we van voornoemde buurvrouw kregen. Na de middag gaan we lekker visjes vangen achter de stuw, met onze blote handen dan nog. Als Patrick er een blik vol heeft, kipt hij alles terug: kwestie van je bezig te houden... ‘s Avonds gaan we in de cafetaria eten. Er zitten twee stomme meisjes die kunnen spreken en die kost wat kost willen meekaarten. Om 23 uur gaan Filip en ik naar de tent. We horen er plots een zeer eigenaardig geluid en halen Patrick er bij. Eerst denken we aan de zwaan die op de camping ronddoolt, maar als we wat bijlichten blijken het twee (uiteraard) parende egels te zijn. Een van de twee loopt weg en de andere draait zich onmiddellijk in een bolletje. We nemen haar (of hem) vast en kruipen in de tent. Het mooi diertje ontrolt zich stilletjes dus laten we het maar lopen en kruipen in onze slaapzakken.

Maandag 29 en dinsdag 30 juli 1974


We worden rond 7.45 uur wakker. Het is reeds laat en we maken snel onze bagage klaar. We vertrekken naar Aschaffenburg. In Gräfendorf pauzeren we een half uurtje. Patrick wil er een eend vastscheren om ze later te braden, maar er zijn wat te veel mensen in de buurt dus houdt hij het bij woorden. Van Gräfendorf gaat het naar Gemunden. Vanaf hier beginnen de zware klimpartijen. Naar Lohr en Aschaffenbrug toe blijft het maar stijgen. Het is prachtig zomerweer, maar daar krijg je dorst van en drinken kost geld. Op de middag zitten we nog 30 kilometer van Aschaffenburg af. Als we aan “enen Duits” vragen hoelang dat hier nog zal blijven stijgen, zegt hij dat het over drie kilometer weer bergaf gaat, dus zetten we een tandje bij en inderdaad, de voorspelling wordt waar. Zo raken we vlugger dan verwacht in Aschaffenburg waar we in een grootwarenhuis eten. We zijn allen mooi bruin geworden de laatste dagen. Filip en Daniël vertonen echter reeds verbrandingsverschijnselen (ze rijden ook met ontbloot bovenlijf!) zodat we de zalf (nr 2) aanspreken.
Rond 16.00 uur rijden we verder en willen bij Seligenstadt de Main over steken. Er is echter nergens een brug te bekennen zodat we het veer moeten gebruiken, wat 50 pfennig per persoon kost. In de stad koop ik twee postkaartjes, want ik begin nu ook naar huis te schrijven. Terwijl we aan het praten zijn, zie ik een meisje aandachtig meeluisteren. Plots lijkt het alsof ze zekerheid heeft, want ze vraagt in het Oost-Vlaams of we ook Belgen zijn, ze is namelijk op doorreis met haar vader en moeder.
Op de weg naar Waldacker (want daar zou er een camping zijn) rijden Filip en ik op zeker ogenblik al pratend over een bewaakte spoorweg. Enkele seconden later zoeft de trein achter ons voorbij, we hadden niets in de gaten. De camping die we zoeken is maar niet te vinden, dus vragen we aan twee jongetjes of ze kunnen helpen. Ze leiden ons door een wirwar van straatjes en plots komen we op een plek - amper een voorschoot groot - waar een drie- viertal caravans staan. Moeten we hier overnachten? Er komt een meneer naar me toe, hij zegt dat we hier best een nacht mogen blijven, niettegenstaande het een privé-camping betreft. Zo belanden we bij de aardigste (en eigenaardigste) familie die we op onze hele reis ontmoeten. Er zijn ook twee Brusselse kinderen op bezoek die een mondje Nederlands praten. Hun vader is hoofd van de politie.
We zetten de tent op, eten en gaan kaarten in het café. De hele familie komt bij ons zitten: Volger (die we prompt Dik Trom noemen) en drie meisjes met hun twee (vaste) vrienden. We kopen een portie friet (Patrick kijkt angstig in zijn geldbeugel) en sluiten onmiddellijk vriendschap.
Om 23.00 uur sluit de boel en we gaan wandelen. Wanda, Iris en Roswitha gaan met ons mee. Onderweg bellen de meisjes een taxi op en zenden hem naar een fictief adres in de buurt, Wanda doet belletje trek en Iris gaat midden op de weg liggen: waar zijn we nu aanbeland? Om 01.00 uur (‘s nachts dus) keren we naar de camping terug en kruipen we in de tent. Ook Volger komt er bijliggen zodat ons huisje direct helemaal vol is. Om 02.00 uur gaan Patrick, Volger en Wanda naar de caravan, want het is te klein om met 8 in de tent te liggen, ze komen echter snel terug en we besluiten te waken tot 04.00 uur. Om 03.00 uur komt de moeder de meisjes halen, Volger blijft bij ons en ik leg mij te slapen. Om 05.00 uur staat Patrick aan mijn schouders te sleuren: we gaan samen met Roswitha en Karl (een broertje van haar) fietsen. Karl moet eigenlijk in bed liggen want hij is ziek, maar hij zegt dat we wel terug zullen zijn voor zijn moeder wakker wordt (Huh!). Om 06.30 komen we terug op de camping en we maken Daniël en Filip wakker zodat we samen naar de bakker kunnen. De Lange (nog een andere naam voor Volger) op kop met achter hem Klaus (een klein broertje van 7 dat echter het genie bezit van een doorgewinterde zakenman). We kopen 2 haantjes. Als we terugkomen willen we onze slaapzakken naaien, maar de meisjes zeggen dat dit geen mannenwerk is en nemen dit voor hun rekening. Ook ‘s middags, als we de haantjes willen klaarmaken, nemen ze dit werk uit onze handen. We eten smakelijk, krijgen nadien nog een ferme Whisky en tot slot “Eine Halbe” (liter bier)... we zullen hier nog maar een dagje blijven zeker?
‘s Middags gaan we zwemmen in het plaatselijke Hallenbad. Men mag er eigenlijk niets doen: niet zoppen (dat is iemand kopje onder duwen), niet springen, niet duiken van de kant. Je moet een badmuts dragen (ook jongens ja!) of je gaat het water niet in. na het zwemmen leggen we ons te zonnen terwijl we boekjes lezen. Ik ga vroeg slapen want de vorige nacht was niet veel zaaks. Patrick en Daniël hebben ondertussen nog moeilijkheden met de (vaste) vrienden van Iris en Wanda, hoe zou dat komen, maar Volger komt er zich mee moeien en alles is direct ok.

Woensdag 31 juli 1974




We staan om 7.00 uur op en beginnen onmiddellijk onze rugzakken klaar te maken. Om 8.00 uur komt de moeder afscheid nemen, we danken haar natuurlijk hartelijk. Daniël heeft ook hier zijn voorraad zalfjes en pilletjes behoorlijk aangevuld. Hij bezit nu zelfs een tube penicillinezalf (nr. 7) om de infectie van zijn toch ernstige kniewonde tegen te gaan en twee zalfjes om het dichtgroeien van de wonde te bevorderen (nr. 8 en 9).
De Billie (nog maar een andere naam voor Volger) ligt in een immens bed te snurken en wil niet wakker worden. De meisjes helpen ons bij het klaarmaken van de fietsen en na het nemen van een foto vertrekken we naar Wiesbaden. We fietsen nu voortdurend door bebouwde streken. Het weer is prachtig en we bruinen dus aardig wat bij.
Van Wiesbaden rijden we naar Rüdesheim waar Patrick zijn laatste centen omwisselt: hij heeft nu nog welgeteld 32 Mark en 25 pfennig. We eten er. Terwijl ik mijn postkaarten verstuur drinken Daniël en Patrick limonade uit driehoekige doosjes. Ze spaarden ze alle, bliezen ze vol lucht en zetten ze op de trappen van een deftig restaurant op een rij. Als ik de hoek om kom, hoor ik hen, niet begrijpend, aftellen: 10, 9, 8, ... 2, 1, NUL. Negen ontploffende Sunkistjes gevolgd door de schaterende lach van Daniël en Patrick en met als uiteindelijk resultaat een hoop geërgerde mensen.
We rijden verder langs de Rhein en genieten van de prachtige zichten die elkaar opvolgen. In
Lorch moeten we de rivier over en dat kost ons 1 Mark per persoon. We rijden door tot Bacharah en zetten er onze tent op in een camping die aan de oever van de Rhein ligt.
Na het avondeten neuzen we wat rond in de stad waarbij we ondermeer het vervallen kasteel bezoeken dat Bacharah domineert en we ook een café bezoeken die... “Weinstube” noemt, waar halen ze het. Om 23.00 uur gaat Filip slapen. Wij drinken nog iets (aangeboden door onbekende Hollanders!) en gaan tegen middernacht slapen.

Donderdag 16 augustus 1974


Ik word om 7.45 wakker. Buiten schijnt de zon. Ik vul mijn dagboek aan en sta op. Deze nacht schrok ik regelmatig wakker door het lawaai vanop de Rein: er komen regelmatig duwvaartkonvooien langs en je hoort reeds van ver het zinderen van de dieselmotoren weergalmen tegen de flanken van de dalwand. Na het vertrek uit de camping ontbijten we eerst in Bacharah en doelen dan op Simmern. Daar aangekomen eten we in een snackbar en praten er met enkele meisjes die meer dan gezonde belangstelling tonen voor die haveloze jongens. Ik vraag er ook de weg aan een man die overvriendelijk een wegenkaart uit zijn huis haalt en ons de kortste weg naar Zell uitlegt. We vertrekken in twee groepen: Daniël en Patrick nemen een binnenweg. Onderweg worden we nog opgehouden doordat er een wielerwedstrijd doorgaat. De mensen vragen of we ook meedoen. De afdaling naar de Moezel is fenomenaal. Van Zell rijden Filip en ik door naar de camping die op onze kaart staat aangeduid terwijl Patrick en Daniël achterblijven want ze vonden een dode Vlaamse Gaai. Na een uurtje wachten komen ze eindelijk ook aan: ze hadden een half uur op ons gewacht in een andere (verkeerde) camping die niet op de kaart staat. Daniël zijn fiets moet er aan geloven: hij trekt zijn spatbord, tandwielbeschermer en fietslamp af zodat hij minder gewicht moet trekken en dus sneller kan klimmen.
Hij heeft het vandaag goed zitten, want terwijl we in de tent liggen te praten, kruipt hij ook nog in de boom die naast ons staat om via een tak tot boven de nok te komen en zo door het gat naar binnen te zakken. Natuurlijk houdt die tak niet en met een smak komt hij onzacht in aanraking met de grond.
Om 21.00 uur gaan we naar het café om er iets te drinken en een partijtje Amerikaanse biljart te spelen. Om 23.00 uur ga ik slapen. Er flikkert een kaars in de tent, ver weg blaft een hond en dondert er een trein door de tunnel. Enkele tenten verder speelt iemand op dit onzalige uur nog op een trompet.

Vrijdag 02 augustus 1974


Lichte paniek: het is over 8.30 uur en Patrick wil niet opstaan. Filip en ik gaan ons verfrissen en als we terugkomen ligt nu ook Daniël terug te slapen! We maken hen wakker, schoppen ze op hun fiets en vertrekken. Tegen 11.00 uur rijden we Wittlich binnen. De hemel is aan het dichtsluieren en we besluiten snel verder naar Bitburg te fietsen. We rijden in een golvend landschap met veel te veel steile hellingen en veel te weinig afdalingen. Dat is een saaie boel zeker als je de hele dag de wind in je gezicht hebt. We stoppen in heel wat dorpjes om iets te drinken, maar dat kan steeds moeilijker want we zitten erg krap bij kas. Eindelijk, tegen 16.30 uur, beginnen we de laatste harde klim naar Bitburg.
We zitten nu op minder dan 30 kilometer van de Luxemburgse grens! De camping die op de kaart staat aangeduid, is nergens te vinden, ook al staan we duidelijk op de juiste plaats. Er komt een boertje aangeslenterd en dat vertelt ons de juiste toedracht: “Er stond hier tot voor kort inderdaad een camping, maar die is weg en dat is niet erg want jullie mogen voor één nacht wel op mijn bietenveld staan en...”. We laden alles af en keren naar de stad terug om eten te kopen. Tegen 19.00 uur duiken we een café binnen om nog iets te drinken maar reeds een half uurtje later keren Filip en ik terug naar de tent waar ik mijn laatste broodje op eet. Tegen 21.00 uur is ook Patrick en Daniël terug want hij heeft weeral eens geen pfennig meer op zak. Wat nu met onze honger? Patrick vindt de oplossing: er staat vanaf heden biet op het menu en toegegeven, dat smaakt nog zo slecht niet.

Zaterdag 03 augustus 1974


Rond kwart na acht vertrekken we in de richting van Luxemburg. Zoals meestal tijdens de voorbije dagen begint het met een steile klim. Daarenboven is de lucht nu helemaal grijs en we verwachten regen. Patrick bond blijkbaar een flesje bier op zijn bagagedrager want als ik na een korte afdaling voorbij een bocht kom, moet ik plots uitwijken voor een hoop glasscherven, je moet niet vragen wat er gebeurd is! Na enkele kilometer stuiten we op wegwerken en moeten we dus noodgedwongen omrijden. In het eerstvolgende dorp duiken we een bakkerij binnen want we hebben nog niet gegeten. Patrick krijgt van elk van ons een stuk brood. We rijden door over Huttingen naar Körperich en ten slotte naar de grens. In de plaats van Vianden binnen te rijden, slaan we onmiddellijk de weg naar Diekirch in waar we rond 12.30 aankomen. Patrick leent wat Belgisch geld aan Daniël (want dat hadden de broers wel nog) zodat hij eindelijk wat anders kan eten dan bieten. We vertrekken naar Esch sur Sure want we willen deze avond nog in Bastogne geraken. Onderweg begint het echter zo te stortregenen dat we al blij mogen zijn als we in Esch geraken. Daarenboven is het veel klimmen. Eindelijk dalen we naar Esch af. En dan gebeurt het, mijn tweede ernstige val. De regen loopt in beken over de weg die steil naar beneden loopt. Voor mij duikt er een kerkhof op en onmiddellijk denk ik: “Daar zou ik direct goed liggen zie.” Terwijl dit door mijn hoofd schiet, merk ik dat mijn rem niet goed “pakt” (‘t gaat hier echt hard hé en de andere rem is reeds dagen stuk, dat vergat ik te schrijven.).
Mijn voorwiel slaat om en ik schuif op mijn buik over de weg richting afgrond (15 meter diep?). Op een goeie meter ervan kom ik tot stilstand. Een auto die net aankomt gereden, stopt en de inzittenden springen er uit. Ik sta echter recht en heb niets. Ook mijn fiets is ongedeerd op een afgelopen ketting na. We zoeken een camping op en zetten de tent recht. Er komt een man bij mij staan, hij is van Vichte bij Kortrijk. Onze piketten willen niet in de rotsgrond, dus halen we grote stenen uit de Sure om zo de zaak recht te houden. Nadat we ons gewassen hebben (allée half), bezoeken we Esch. Eerst nu herken ik waar we zijn, want een jaar of twee geleden was ik hier ook met jeugdvriend Luc (Neyt) en Pa, Ma en zus Lieve. We eten een portie friet (Patrick twee) en stappen nog even de cafetaria binnen. Om 23 uur ga ik in mijn vochtige slaapzak liggen en vul ik het dagboek aan (nu dus, ik schrijf dit nu). Er komt een Hollander de tent binnengekropen: hij vindt het allemaal “lekker knus hoor!”. Als hij weg is heb ik ruimte om in slaap te vallen.

Zondag 04 augustus 1974


Ik heb slecht geslapen: om 22.00 uur kwamen Patrick en Daniël de tent binnen en net als ik terug inslaap begint er naast onze tent een nest Hollanders moppen te tappen. Ze lachen een uur aan een stuk door en er zit er eentje bij die lalt als een zeehond en een andere die hakt als een kalkoen.
Gelukkig regent het niet meer. We staan op en rijden naar Bastogne. Om 10.20 uur stipt rijden we België binnen en om 11.45 uur bereiken we Bastogne. Ik heb ondertussen schele hoofdpijn gekregen. We willen in
Champlon slapen maar het gaat echt goed en we reizen dus verder naar Marche-en-Famenne waar we onze tent op de Euro-camping Paola rechtzetten. Ik kruip in mijn slaapzak en neem een pilletje. Het begint zwaar te waaien en er steekt een zwaar onweer op zodat we de piketten dieper in de grond moeten slaan: we hebben er nog welgeteld 8 over. Naast ons waaien er enkele tentjes weg. Als de wind gaat liggen begint het onmenselijk te regenen. Het water valt met emmers tegelijk neer, het dondert en het bliksemt alsof de wereld vergaat. Morgen rijden we naar Namen.

Maandag 05 augustus 1974


We worden rond 08.00 uur wakker: buiten is de lucht asgrauw en er valt motregen. Ik voel me wonderlijk genoeg veel beter. Om 09.00 uur rijden we naar het centrum van Marche om er ons ontbijt te kopen en wat later vangen we de 49 kilometer naar Namen aan. Op zowat 14 kilometer van die stad kopen we onze eerste Belgische frieten. Om 13.30 uur rijden we dan Namen binnen waar we onmiddellijk in een grootwarenhuis ons middageten nemen. En ik die dacht goedkoop af te zijn: een kasticket met 125 Bef op, dus nog maar 25 Bef meer over voor twee dagen, dat is dus 12,5 Bef per dag! Niettegenstaande dit heb ik toch goed gegeten want de geroosterde rumsteak heeft mijn half ziek lichaam best deugd gedaan.
Nadat de regen opgehouden heeft ons te pesten, rijden we verder de stad in. We ontdekken in het centrum een toeristisch bureau waar we vragen of we hier ergens kunnen kamperen. Tot onze ontsteltenis moeten we 6 kilometer terug en dàt is tegen onze principes dus vragen we of er op onze weg naar Brugge niets te vinden valt. Inderdaad, 10 kilometer buiten Namen, op de weg naar Nivelles, ligt een klein vliegveld waar af en toe jongeren mensen kamperen. Wij dus terug de fiets op. Het was prettig het dal van de Maas in te rijden, maar er terug uit, dat is andere koek. Eindelijk zien we een bordje met de gezocht aanduiding. We mogen een nacht blijven staan met de tent (Patrick had gewed dat we buiten zouden vliegen).
Terwijl we de tent aan het rechtzetten zijn, komt er een man naar ons toe die in het Frans vraagt of we Duitsers zijn. Ik antwoord in het Frans dat we Belgen zijn, Vlamingen eigenlijk. Dan begint de man Vlaams te praten, hij is Brussel en wacht hier reeds enkele dagen op mooi weer want hij is zweefvlieger. Hij nodigt ons uit op een bezoek aan zijn zwever en we nemen dit maar al te graag aan. Er staan prachtige stukken in de loods. We worden ook in zijn caravan uitgenodigd waar we van zijn vrouw een kop thee en een boterham krijgen. Het zijn beiden mensen die vroeger ook avontuurlijk op reis trokken en ze begrijpen ons verhaal volkomen. ‘s Avonds krijgen we elk ook nog een goeie Geuze. Om 22.00 uur ga ik slapen.

Dinsdag 06 augustus 1974


We worden om 07.00 uur wakker. Het is mooi weer! We breken het kamp op en gaan eten. Mevrouw heeft boterhammetjes klaargemaakt voor ons en we krijgen er ook nog een kop koffie bij! Patrick en Daniel vertrekken eerst naar Nijvel. We vinden ze er niet en fietsen dan maar naar Halle door. Daar halen we ze in.
Het gaat goed vandaag, te goed denk ik. We willen Gent halen. We komen een groep wielrenners tegen, maar we bekijken hen niet eens, dat is ons nu te min. Op 27 kilometer van Gent belanden we midden in een boerenbetoging, met drietanden en al. Ik verlies er mijn dagboek én brieventas, maar merk dit niet eens. Gelukkig zag Filip, die achter mij reed, ze liggen en raapte hij ze op, anders was er geen dagboek van deze reis!
Om 17.30 rijden we Gent binnen en zoeken onmiddellijk de winkel van Robert in de Sint-Pieters Nieuwstraat op, maar Pierre die er zit wil ons niet hebben (begrijpelijk als je ons ziet) en dus zoeken we maar Johan Lambrecht op. We blijven er tot 22.30 uur. Ondertussen bezocht Daniel andere vrienden en daar mogen we overnachten op voorwaarde dat we om 22.00 uur “binnen” zijn. Dat lukt dus niet meer... Daniel vroeg ook aan een agent of we niet in de Nieuwe Wandeling mochten overnachten. Dat kon, maar er was wel een kans dat we er dan een tijdje zouden moeten blijven. Nee dus...
We willen onze thuiskomst vieren, dus gaan we naar de “Amber” een studentencafé waar we tot 03.00 uur blijven hangen. Dan sluit alles en moeten we een slaapplaats vinden. We besluiten Gent te verlaten en in de richting van Eeklo te rijden (waar Patrick woont). Als we willen vertrekken, moeten we echter eerst het voorwiel van Daniel z’n fiets rechten: het is uitgerekend nu in een 8 geslagen. Patrick en Daniel willen in een bos overnachten (welk?), Filip en ik zoeken de grote brug over het kanaal naar Zelzate op en vinden er een pracht van een droog plekje onder.

Woensdag 07 augustus 1974


Om 05.00 uur word ik wakker. De zon komt op. Ik wek Filip en we vertrekken. Na enkele kilometers zien we op de brug over de Lieve (tegen Waarschoot) twee fietsen staan. Rechts beneden liggen Patrick en Daniel in de open lucht te slapen. We krijgen ze met veel moeite wakker en vertrekken eindelijk naar Eeklo. Het eerste wat we er doen, is mijn peter Miek opzoeken in zijn bakkerij. Hij haalt net hele “blekken” vol boules-de-berline uit de oven. We eten onze buik rond en rijden voldaan naar het huis van Patrick. ‘s Anderendaags rijden we alle vier naar Brugge. De cirkel is rond...

Duitsland 1974: verslag van een fietsreis © Luc Goethals
Reisdagen: 23 - Regendagen: 8 - 1382 kilometer op de fiets waarvan 1079 in Duitsland, 54 in Luxemburg en 249 in België.