Goet-Luc's pagina's

Van harte welkom!


Wales 1975



Verslag van een reis...


Na al de ontberingen van vorig jaar (zie Duitsland 1974) hebben besloten we om gedurende deze vakantie onze fiets maar op stal te laten. De ongemakken die dergelijke voertuigen met zich meebrengen als men het Kanaal oversteekt, zijn te groot, zodat zij de voordelen van de fiets-op-reis in de schaduw stellen. Dit jaar reizen we met trein, schip en auto, en natuurlijk ook te voet...
Ons viertal bestaat uit Emiel, Paul (de nieuwelingen hm...) en dan natuurlijk Patrick (a must!) en ikzelf. Emiel en Paul zijn in werkelijkheid doorgewinterde reizigers, maar het is voor hen de eerste maal dat ze met een dergelijke tent en in dergelijke omstandigheden de warme huiskamer vaarwel zeggen. We zeggen en schrijven...

Maandag 30 juni 1975


Rond 23.00 uur komen wij (Patrick, Emiel, Lieve, Raf & Liesbeth en ik) in het station van Brugge aan. Na enkele minuten verschijnen ook Ma, Pa en Paul met zijn ouders, broers en vrienden.
Voor we naar perron 9 vertrekken, wegen we onze zwaarbeladen rugzakken. Het gemiddelde ligt rond de 25 kg. Om 23.19 u. komt het “stelleke” dat ons naar Oostende zal brengen aan. We nemen afscheid, sleuren onze bagage op de trein en vertrekken eindelijk naar Wales! Emiel heeft zijn lunchpakket op het perron laten staan, maar we kunnen hem zeker van onze voorraad delen.
We staan er nog wat onwennig bij. Buiten is het aards donker, af en toe wordt de duisternis doorbroken door het voorbijflitsend licht van enkele eenzame lantaarnpalen. We naderen Oostende.

Dinsdag 01 juli 1975


Na het passeren van de douane
wordt het ons duidelijk dat onze bagage sterker meetelt dan we ooit durfden denken. We moeten voetje voor voetje doorschuiven en de rugzakken sleuren aan onze schouders. We zullen zeker nog enkele liters water en bloed zweten.
Om 00.45 u. verlaat de “Koningin Fabiola” de haven van Oostende. Emiel en ik moeten naar de purser want we moeten nog havenrechten betalen. De zee is kalm. Patrick koopt een fles “Johnny”.
Iedereen rust, Emiel en Patrick leggen zich te slapen, Paul en ik blijven wakker tot ook ik tenslotte indommel. Drie uur lang volgt het schip de kust. Steden doemen op, lichten trekken weg, alles wiegt zachtjes.
Om 04.40 (15 minuten te laat) leggen we aan. De zon is reeds op, de hemel is helder. De Belgische douane werkt nog vlug in vergelijking met die van Engeland. Als we na een half uur eindelijk de stapels papieren en tientallen stempels eigen zijn, voelen we onze benen en schouders niet meer. We slepen ons naar de trein en zoeken in allerijl een plaats. Onze reservaties kunnen we niet gebruiken want de opgegeven wagon bestaat gewoon niet. Onze rugzakken blokkeren de middengang. Ze moeten er maar over stappen!
In Victoria-station nemen we onmiddellijk de ondergrondse naar Euston. Het is een ware goocheltruk om met onze rugzakken in evenwicht te blijven telkens als het treintje aanzet of stopt. Paul en Patrick zitten op de grond, de twee tentstokken die Emiel aan de zijkant van zijn bagage heeft gebonden, stoten af en toe tegen het plafond of missen op het nippertje de buislampen die er aan bevestigd zijn.
In Euston moeten Patrick en Emiel afscheid van ons nemen. Zij hebben een andere trein dan de onze en moeten enkele uren later vetrekken. Wij, Paul en ik dus, nemen een sneltrein naar
Chester waar we met 25 minuten vertraging aankomen. Hier stappen we op een boemel-treintje dat naar Ruabon rijdt. Een vriendelijke “Wale”, de eerste die we ontmoeten, helpt ons de bagage in de bagagewagon te laden. Het petroleumlampje dat aan de zijkant van mijn rugzak bengelt, loopt leeg op de vloer en laat zo een geurende plek ontstaan. De “Wale” verontschuldigd zich nog ook! Eindelijk rijden we Wales binnen. Het landschap begint hoe langer hoe meer te heuvelen. Ergens heel in de verte zijn de vage contouren te bespeuren van hogere heuvelruggen, moeten we daar naar toe?
Het station van Ruabon doet sterk aan een varkensstal denken, dit zowel wat de bouwstijl betreft als de geur. Nergens valt er een beambte te bespeuren. zodat we om inlichtingen moeten bij de dorpsbewoners. We gaan, nadat we gegeten hebben, te voet naar het kruispunt van de A5 met de A483 waar we volgens afspraak Patrick en Emiel moeten treffen. De riemen van mijn rugzak snijden steeds dieper in het vlees van mijn schouders. We moeten een heel stuk wandelen vooraleer we de bewuste plek vinden. Tegen alle verwachtingen in zijn de anderen reeds aanwezig.
Nadat we wat gerust hebben, proberen we al liftend verder te reizen, maar het aantal auto’s dat ons voorbij rijdt, is te miniem om goede resultaten te verkrijgen, dus nemen we maar een bus die ons tot in
Corwen brengt. Hier kopen we wat fruit en brood en zoeken we een afgelegen weide op waar we vannacht willen slapen. Patrick haalt eerst en vooral zijn vislijn boven want we liggen aan een rivier. Hij verliest na enkele minuten reeds zijn lepeltjes en haak als hij bij het uitwerpen in een boom aan de overkant terechtkomt. Wij zetten ondertussen de tent op en maken eten klaar. Af en toe passeren er aan de overkant wat boeren. Enkelen onder hen laten ons door hun tekens duidelijk weten dat we niet gewenst zijn, maar we trekken ons daar niets van aan en gaan slapen.

Woensdag 02 juli 1975



We worden omstreeks 08.30 wakker
, het weer is opnieuw prachtig. We maken alles klaar, zoeken de afval bij elkaar en wandelen naar het dorp waar we eten. Het brood is fantastisch lekker, we zien het bijna bakken.
Ik verzend mijn eerste prentbriefkaart naar huis, want ze zitten daar zeker op hete kolen. Eénmaal in de week is er een bus naar
Betws-y-coed en dit elke woensdag, maar hij vertrekt om 08.30 u. en we zijn dus net te laat. We zijn dus wel verplicht om autostop te doen. Te voet is het veel te ver.
Eerst lopen we tot buiten het dorp waar we in twee groepen splitsen. Voor het verder verloop van de reis is dit over het algemeen steeds zo geweest, want weinig auto’s nemen 4 zwaarbeladen lifters mee. Paul en Emiel worden eerst opgepakt. Terwijl ik sta te liften stopt er een volkswagen waaruit een zonderling figuur stapt. Hij gaat recht naar Patrick toe en vraagt hem een sigaret. Hij vertelt dat hij van God is gezonden en homo- en bisexuele neigingen heeft. Wat “stuff” betreft: “I love it”... Voor hij weggaat, komt hij eerst nog naar mij en met een “ God bless you son” verdwijnt hij achter de hoek.
Er stopt een bestelwagen. We worden samen met een Hollands koppeltje dat wat verderop ook staat te liften, meegenomen. In Betws-y-coed trekken we recht naar het postkantoor, want Paul en Emiel wachten daar op ons. Onderweg vangt Patrick een forel, met zijn blote handen, maar werpt hem terug: te klein! Nadat we gegeten hebben, liften we verder want we willen vandaag
Capel Curig bereiken. Er stopt opnieuw een bestelwagen en we worden alle vier meegenomen! De persoon die ons meeneemt is de leider van een of ander kamp. Hij raadt ons aan verder te rijden dan Capel Curig en wijst ons een free-camping aan waar we kunnen overnachten. Zo komen we vandaag een flink stuk verder dan we dachten.
We liggen in een prachtig dal, niet ver van een boerderij waar we melk en brood kunnen kopen. We betalen er de minieme prijs van 15p. per nacht/persoon. We bedanken de bestuurder en zoeken een plaatsje voor onze tent. Na het avondmaal gaan we op verkenning. Patrick blijft bij de eerste top reeds achter terwijl wij verder klimmen. Onderweg komen we berggeiten tegen: deze diertjes maken ongelooflijk gevaarlijke sprongen van de ene rots naar de andere; om duizelig van te worden. Nadat we onze tent terug bereiken, roosteren we brood boven een kampvuurtje want al hebben we gegeten, een wandeling brengt honger in de maag. Rondom ons lopen er schapen; ze blaten er op los: moeten wij hier vannacht bij slapen? Na een slaapmutsje (“Johnny” doet dienst) gaan we slapen.

Donderdag 03 juli 1975


Om 08.00 uur opent Paul de tent. De hemel is bewolkt maar er valt vandaag zeker geen regen. We eten en maken in de loop van de voormiddag enkele persoonlijke zaken in orde. Ook leggen we een “frigo” aan: dit is gewoon een bak melk en een pot boter die we in de beek zetten die naast onze tent loop. Het resultaat is echt verbluffend: onze drank blijft altijd mooi koel.
Omstreeks 09.30 uur komen er plots honderden schapen uit de bergen naar het dal afgezakt. De schaapherders drijven ze bijeen. Het werk dat de honden hierbij leveren is onvoorstelbaar: het kleinste fluitsignaal heeft een betekenis waarbij de hond draait en keert waarheen de meester het wil. De schapen worden bijeen gedreven en dan in een grote kraal gejaagd waar ze volgens eigenaar worden geschift. Na de middag trekken we naar de
Tryfan. We zie dat de boeren hun schapen ondertussen een bad geven. De dieren worden één voor één in een meertje geworpen en moeten op eigen krachten naar de overkant kunnen zwemmen. Zij die er niet geraken verdrinken jammerlijk. Zo wordt er onmiddellijk een selectie gehouden: de zwakke of zieke dieren tellen niet mee!
Aan de voet van de machtige Tryfan splitsen we ons in twee groepen. Emiel en Paul willen het pad volgen dat rondom de berg spiraalt. Wij zijn echter van plan om de reus langs de zijkant te overwinnen. We starten ergens in de bedding van een klein uitgedroogd riviertje dat bij zware regenval rechtstreeks het water van de top naar de voet voert. Als we halfweg zijn verdwijnt de rivierbedding in een netwerk van kleine zijarmpjes. Vanaf hier krijgen we kale rots zonder houvast. We balanceren over losliggende stenen en langs relatief diepe kloven, overwinnen steile wanden en grillige rotskanten. Op 3/4 van de top stuiten we op een groep bergbeklimmers; compleet met helmen, nylontouwen en staalpinnen. Zij kijken ons ongelovig aan. Wij waren van plan om verder te klimmen, maar als we zien met welke uitrusting de heren op stap zijn om een voor ons gemakkelijk lijkende kant te overwinnen, besluiten we om met onze “zeesloffen” de laatste meters in spiraalvorm af te leggen. Voor we dit doen, griffen we wel eerst onze namen in een platte rots, als teken wat we deden. Boven liggen Paul en Emiel reeds op ons te wachten. Het uitzicht is groots. Ver beneden ons ligt de camping ergens. De tent is niet te bespeuren. Aan de Westzijde zien we in de diepte ene meer liggen. Ook daar staan er enkele tenten. Als we terug afdalen nemen we een andere weg zodat we langs het meer komen. We zouden hier prachtig staan, maar het is te ver om nog met onze tent naar hier te komen. Patrick wast zijn kousen, het is toch mooi weer zodat ze snel drogen. Ik kom tot de vaststelling dat ik mijn grijze pullover op de top van de Tryfan ben verloren.
Patrick vertrekt enkele minuten vroeger dan ons, want hij zal al liftend proberen in
Capel Curig te komen om er inkopen te doen. Als we bij de tent komen is hij reeds terug met het gevraagde. Na het avondeten pokeren we wat en na het slaapmutsje (waarvan Patrick iets teveel neemt) kruipen we in de tent want er zitten hier veel kleine mugjes. Als ik mij na een tijdje terug opricht ligt Patrick met zijn hoofd buiten de tent te snurken...

Vrijdag 04 juli 1975


Het is prachtig weer als we uit de tent komen, toch zit er veel wind. Patrick heeft vannacht niet goed geslapen, hij lag halfbuiten zodat zijn slaapzak doorweekt is. Hij wil niet opstaan en voelt zich doodmoe. Daarom vertrekken we alleen naar Capel Curig om brood te halen. Morgen verlaten we waarschijnlijk dit deel van het dal en we moeten nieuwe voorraad opdoen. We volgen een oude weg van Romeinse oorsprong die dwars door de heuvels loopt. In Capel Curig bezoeken we, na onze inkopen, een zeer oude kerk war we onder andere onze handtekening in een boek zetten als teken van onze waardering. De plechtigheden worden hier af en toe nog in het oud Welsh gehouden. ALs we buitenkomen is de lucht betrokken en net als we na de 7 km lange wandeling de tent in zicht krijgen begint het te gieten. Het water stroomt dwars doorheen de tent. Rond 13.00 uur stopt het met regenen. Patrick is nog steeds niet helemaal bij zijn positieven zodat we met ons drieën een wandeling maken naar een hoger gelegen meertje. Als we terugkeren zijn onze buren aan het opbreken: vader draagt alles naar de auto, moeder plooit alles op en de twee zoontjes (17-18 jaar!) lezen ondertussen boekjes. Als een van hen tenslotte toch nog een handje toesteekt valt heel de tent in elkaar.
Patrick zit voor onze tent, hij is bijna terug de oude: zijn vloeken krijgen terug hun gewone lengte. Nadat we wat gepokerd hebben, gaan we slapen. Morgen wacht ons een zware dag.

Zaterdag 05 juli 1975


Vanmorgen werden we na 09.00 uur wakker. We plooien de tent op en gaan afrekenen: voor iets meer dan één pond mochten we hier drie nachten staan. We verlaten de camping en beginnen aan de zwaarste tocht uit onze reisgeschiedenis. We klimmen uit het dal weg en volgen het riviertje dat naast onze tent liep. Met pak en zak, alles erop en eraan, zwoegen we door laag begroeide rotsvelden steeds hogerop. Om de 5 minuten moeten we wat rusten. Na een half uurtje is Paul niet meer te zien. Patrick en ik blijven achter. De hellingen worden steiler, de steekvliegen onbeschaamder en we geraken uitgeput. Rond de middag (Patrick heb ik reeds een uur niet gezien) bereik ik de top waar Paul en Emiel aan een meertje liggen te rusten. We kwamen, aan met tussentijden van een kwart uurtje. Ook Patrick komt zuchtend en puffend aan. We eten iets en beginnen aan de afdaling. We zoeken het pad dat op de kaart staat, maar vinden alleen enkele gestapelde stenen die we ook snel uit het oog verliezen. Het wordt nu menens. Buiten de steile kanten en kale rotsen zijn er ook nog de heidevelden die uit diepe moeilijk zichtbare kloven bestaan. Gelukkig trekt het gewicht van onze rugzakken ons achteruit als we vallen, zodat we zacht landen. Het is de bedoeling dat we het hotel op de hoek van de A498 en de A4086 bereiken. Vanaf deze plaats gaan we dan te voet naar het jeugdhotel op de Pen-y-pass. Daar vinden we een prachtige zelfservice waar we goedkoop kunnen bikken. Na de maaltijd volgen we het pad tot aan het meer (Llyn Llydaw) aan de voet van de Snowdon. Daar plaatsen we de tent. We liggen op een soort schiereiland dat door een brug met de overkant is verbonden. s’ Avonds maken we nog een wandeling waarbij de een oude vervallen kerk (?) plunderen, want we hebben brandhout nodig. Na ons partijtje poker kruipen we in onze slaapzakken en gaan maffen.

Zondag 06 juli 1975


Deze morgen worden we in een snikhete tent wakker. Alles is zonovergoten, het meer ligt in haar blauwe pracht aan onze voeten, kale schroeiende rotsen omsluiten onze kampplaats. Vandaag willen we het op ons gemak nemen: om 10 uur gaan we per autostop naar Llanberis om inkopen te doen. We vergaten echter dat het... zondag is en vinden de meeste winkels gesloten. Gelukkig kunnen we hier en daar iets op de kop tikken. Rond 4 uur keren we terug naar de tent. Als we na het pokeren in de tent wat liggen na te praten, horen we buiten lawaai. De zon is reeds achter de bergkam verdwenen, de lucht is nog helder en af en toe weerkaatst de rotswand aan de overkant het geblaat van een schaap. Het lawaai wordt luider, er nadert iemand! Ik kruip uit mijn slaapzak en ontsluit de tentopening. Voor mij zit een, ja wat is het, een meisje of een jongen? Het is een jongen met bruingebrand gelaat. Hij vraagt of we geen deken hebben voor hem en als het kan ook wat eten. Ik geef hem een stuk gordijn dat ik weet niet waarom in mij rugzak heb gestoken. Hij is er blij mee. Eten kunnen we hem niet geven want we bezitten zelf niets meer. In feite weten we niet wie of wat we voor ons hebben. Hij bedankt vriendelijk en verdwijn in de opkomende duisternis. Laat in de nacht horen we in de verte schaterlachen; er brand vuur aan de andere kant van het meer. Er zijn nog mensen die het hier mooi vinden.

Maandag 07 juli 1975


Prachtig weer! Terwijl Paul zwemt, maken wij het eten klaar. Het is reeds na twaalven voor we ons “ontbijt” binnen hebben. Deze namiddag wordt de Snowdon veroverd. Paul en ik nemen het pad, terwijl Emiel en Patrick iets vroeger omhoog gaan. Onze vermoedens worden bevestigd: het pad dat door elke doorsnee toerist wordt gebruikt, is veel moeilijker dan we dachten. Je moet werkelijk een zware inspanning leveren om boven te geraken.
Hoe hoger we komen, hoe prachtiger het uitzicht wordt. Wel hebben we last van stijgwinden die langs de bergwand trekken en ons sterk afkoelen, maar op de top staat een restaurantje waar we binnen kunnen schuilen. Om het kwartier komt er een treintje aan, vol toeristen die de berg te voet niet aankunnen of durven. Ook Patrick en Emiel komen nu aan. Voor we aan de afdaling beginnen koop ik mij een blik
Fanta. De bedoeling is Patrick wat plakkerig te maken door wat van de limonade op zijn rug te sproeien, maar door het vele schudden is de binnendruk fel opgelopen (en, we bevinden ons hier 1085 meter boven de zeespiegel) en Patrcik krijgt dus de volle lading in zijn broek. Hij druipt letterlijk. Natuurlijk probeert hij mij te vatten, maar ik loop snel naar beneden, in de richting van de spoorlijn. Patrick achter mij aan. Ik maak een scherpe bocht. Mijn arme neef kan niet meer stoppen en als een aangeschoten ever stuift hij de helling af en belandt frontaal tegen een koppeltje aan. Na dit voorval, door menig toerist hoofdschuddend gevolgd, dalen we de Snowdon af. Eerst volgen we een eindje de sporen, maar dit gaat te langzaam, dus verlaten we de lijn en dalen recht naar Llanberis. Vandaag zijn de winkels gelukkig wel open en kunnen we ons leegkopen. Geladen als muilezels keren we tegen 16.30 uur met de duim naar de tent terug. Paul en ik worden door een vrachtwagen meegenomen. Het is een rasechte Wale die ons oppikt. Hij is fier op zijn streek, heel zijn familie spreekt nog Welsh, zelfs zijn kleinzoon. Hij vertelt ons het een en het ander (de Engelsen zijn niet goed, er zijn te veel toeristen enz...) en voor het eerst horen we de juiste uitspraak van Llanberis [HENDROEWS] en de Pin-y-pass [PIENEPAS]. Emiel en Patrick komen pas rond 19.30 aan. Wij hebben ondertussen reeds gegeten: rijst met fruit. We kaarten nog wat en gaan tegen tien uur slapen.

Dinsdag 08 juli 1975


Ik word om 06.00 uur wakker
: het regent. Het water kletst op het tentzeil en het parapluutje schudt heen en weer alsof er iemand uit alle macht aan rukt. Gelukkig doorstaat het alles goed: tot nu toe komt er geen druppel binnen. Als ik omstreeks 07.00 uur opnieuw wakker wordt, heeft het geklets van de regen plaats geruimd voor vuile, vieze motregen. Daar “ons” meer in een kom ligt, kunnen de neerhangende wolken niet verdwijnen; we zien met heel veel moeite net de overkant. We blijven dus in de tent liggen want met dergelijk weer denkt niemand aan wandelen. We eten dus een stuk brood met kaas en brengen de tijd met pokeren door. Om 11.00 uur verlaten we de tent om te gaan eten. Als we na de maaltijd wat willen pokeren, komt de jonge uitbaatster van haar tak maken: er mag niet gespeeld worden in haar zaak. Na een tweede waarschuwing stappen we op. Paul en ik keren naar de tent terug; Patrick en Emiel trekken al liftend naar Llanberis. Om 07.00 uur komen ze terug thuis. Vandaag was het niet te vet; we kruipen in de tent, sluiten alles goed af en gaan slapen.

Woensdag 09, donderdag 10 en vrijdag 11 juli 1975




Als ik om 06.30 eventjes wakker wordt, schijnt de zon, maar zulks is niet meer het geval als we omstreeks 09.00 uur uit de tent kruipen. Gelukkig regent het nog niet. Omstreeks 11.00 uur vertrekken we voor de tweede keer naar de Snowdon; deze keer willen we de berg langs een heel andere kant beklimmen. Eerst bestijgen we de rotsmassa die voor onze tent uit het meer oprijst en dan lopen we over de kam verder naar de top. Net als Emiel en ik, die een beetje voorop lopen, zowat halfweg tussen top en kam zijn, trekt er op korte tijd een dichte mist langs ons. We zitten letterlijk in de wolken. Daar terugkeren bijna onmogelijk is, steken we door. Patrick en Paul zijn nergens te zien, de dichte mist heeft hen verzwolgen. We onderscheiden amper onze eigen voeten, de mist “valt uit” en binnen enkele minuten zijn we doorweekt. Af en toe kruisen we een groepje toeristen dat begeleidt door een gids, naar minder natte regionen trekt. De stenen zijn glad als ijs, onze klamme handen zijn nat. Eindelijk, na een uur klimmen, doemt het restaurantje uit de mist op. We zijn doornat en kunnen ons gelukkig toch wat drogen en opwarmen. Na tien minuten komen de anderen aan. We wilden vandaag een mooie toer maken, maar hebben het niet getroffen en nemen dus het gewone pad naar de tent terug. Tijdens die afdaling, die wij al springend maken, stoot Paul zijn knie. Het resultaat is een “winkelhaak” in zijn reeds aan de dij gescheurde jeans en een flinke kap in zijn knie. Zonder verdere ongelukken bereiken we ons schiereilandje. Als de hemel even opklaart, maken we een reuze houtvuur en bereiden het eten. De zon lijkt er even door te komen en we wassen onze vuile en toch reeds doorweekte kleren. Alles wordt op grote stenen te “drogen” gelegd en we zetten ons aan het pokeren.

Omstreeks 19.00 uur wordt de hemel plots pikdonker. Er verschijnen gitzwarte onweerswolken. De nieuwe buren die we ondertussen kregen, hebben gelukkig reeds hun tentje opgezet. Wij vluchten de onze in ijltempo binnen en grendelen alles af. We hebben dit pas gedaan of de storm breekt in al haar hevigheid los. Er steken rukwinden op die het water van het meer tot tegen onze tent zwiept. Het parapluutje in het vuurgat, houdt het gelukkig.
Om 02.00 uur ‘s nachts voel ik (tussen slaap en vaak) dat mijn slaapzak nat is. De rechterbovenkant ligt in een plas die zich onder het schuimrubber waarop ik lig heeft gevormd. Emiel ligt met zijn voeten in het water en Patrick krijgt vallende druppels te verduren. De regen zwiept onder het parapluutje door. Van slapen komt er niet veel in huis. Als het onweer om 08.00 uur nog niet lijkt te bedaren, n tegendeel zelfs, nog toeneemt, besluiten we maar te blijven liggen. Soms wordt de tent helemaal bol geblazen, waarna ze onmiddellijk in elkaar zakt. De wind heeft overal vrij spel: de piketten die aan de ingang vast zitten, worden losgerukt zodat we naar buiten moeten om alles terug vast te slaan. We maken van deze nood een deugd en willigen ondertussen ook enkele persoonlijke behoeften in. We leggen ook rondom de tent zware stenen. Om 13.00 uur wordt het Patrick te machtig: hij trekt zijn laarzen aan en gaat met Paul en Emiel eten. Ik blijf moederziel alleen overgelaten aan het spel van de wind (een schipper verlaat zijn zinkend schip niet!). Ik maak een doos vlees open: hopelijk is het kip... (kôteletten verd....) en warm ze boven het gasvuurtje dat ik na veel gevloek en geketter aangekregen heb. De lucifers zijn wak en het is te donker in de tent om de andere doosjes te vinden. Half warm, met hier en daar nog een stuk ongesmolten wet, worden de stukken vlees tussen mijn kiezen gepropt om schrokkerig in mijn verscheurde maag te verdwijnen. Het onweer blijft verder razen. Rechts van de tent is een tot gisteren onschuldig lijkend beekje, uitgegroeid tot een machtige bruisende waterval. Het peil van het meer is merkbaar gestegen maar we moeten ons nog niet ongerust maken; we liggen voorlopig nog veilig. Omstreeks 15.00 uur komt Patrick aan. Hij heeft enkele broodjes mee. De anderen zijn naar Llanberis. Om 18.00 uur komen ook zij binnen gevallen met een voorraad brood, fruit kaas en boter. Ik kreeg, buiten het koude vlees, nog niet veel binnen, zodat ik mij op het eten werp. Natuurlijk veel te schrokkerig, wat een gespannen maag oplevert. Om 19.00 uur kruipen we in onze slaapzakken en liggen wat te praten. Het onweer wil niet luwen: de tent is doorweekt. 22.00 uur: de wind slaat plots vanuit een heel andere hoek op de tent in, net alsof een nieuwe aanval wordt ingezet. Nu begint het werkelijk pas: de piketten slaan los, het parapluutje krijgt verschrikkelijke rukwinden te verduren; de tentstokken staan te schudden en te trillen; de tentopening druipt langs alle kanten; Emiel ligt in een plas. 01.00 uur: de tent wordt gemarteld. 05.00 uur: het zeil drupt overal. Als het 08.00 uur is geworden houden we het niet langer: we maken onze rugzakken en tussen 2 aanvallen in breken we alles op en vertrekken we naar het Pin-y-pass restaurant. Na een laatste “hot-chokolat” splitsen we: Patrick en ik gaan te voet terwijl Paul en Emiel willen liften. Het houdt niet op met regenen. Net als wij beneden komen, stop er een legertruck. We zijn bij een officier beland die zijn manschappen aan de Pin-y-pass afzette. Patrick zit vooraan, naast hem. Mac, zo noemt de officier, vraagt of we nog studeren. Als hij hoort dat Patrick chemie volgt, zegt hij dat hij dit zo had gezien. Hij vraagt zelfs of hij reeds bommen heeft gemaakt. Volgens Mac ziet Patrick er uit als een tweede Einstein. Na de lift - eerst haalt hij zijn plaatselijk liefje op - nodigt hij ons uit op een drink. Bij een kop koffie nodigt hij ons uit om vanavond naar de
Waterloo te komen. Zijn afdeling verzorgt er een feestje waarop ook wij iets moeten doen. Na de koffie zoeken we een camping en zetten er de tent op. We frissen ons wat op om naar de Waterloo te gaan. Ik pluk wat bloemen voor Dorothy (het liefje van Mac); Patrick vond een hoed waarop hij een roosje stak. Zo zijn we toch een beetje deftiger. In de bar wordt er gelachen en gezongen. Daar het vandaag de 11-de juli is, besluiten we de “Vlaamse Leeuw” te zingen. Het wordt een succes. We worden hartelijk bedankt voor de première en keren na sluitingsuur (23.00 uur) naar de tent terug. Het is vrij laat voor ik in slaap val.

Zaterdag 12 juli 1975



Vanmorgen, om 09.00 uur, sta ik als eerste op om inkopen te doen. Mijn geldvoorraad is merkelijk geslonken zodat ik aan bezuinigen moet denken. Enkele mensen herkennen mij blijkbaar nog van gisteren avond in de Waterloo.
Na het morgenmaal gaan Patrick en ik op verkenning. Ik koop mij een jagersmes voor £ 2.20 (mijn vork liet ik aan het meer liggen en een lepel had ik nooit bij: op reis mag gerust met je handen eten: er is niemand die je opmerkingen kan geven). Tot nu toe ben ik van het volgende verlost: 4 dozen vlees, 2 dozen soep, een zak rijst, 1 kg. suiker, een pull-over, een vork, een doosje lucifers, een zonnebril en een knoop van mijn mouw. Jammer genoeg is er ook het een en ander bij gekomen: 2 kleine steentjes van de Tryfan en de Snowdon) en nu dus een mes. Hoeveel mijn rugzak dus nu weegt, weet ik niet, maar het zal hopelijk minder zijn dan de 27,5 kg die ik in het begin meezeulde. Na de middag begint het te regenen; in feite niets speciaals in vergelijking met wat we reeds meemaakten, maar we blijven toch in de tent liggen want het is de ideale gelegenheid om wat uit te rusten. Om 17.00 uur gaan we terug de stad in. Paul en ik blijven in een kerk achter: we ontdekken er een piano die niet gesloten is... Na het wiezen gaan we slapen.

Zondag 13 juli 1975


Ik wordt wakker omdat iemand tegen het tentzeil schopt, waarschijnlijk een of andere kwajongen, want ik hoor iemand hard weghollen. Om 10.00 uur, na het ochtendeten, vertrekken we te voet naar Llanrwst, op 5 mijl van Betws-y-coed. Onderweg, op het bruggetje dat over de rivier ligt waaraan we camperen (The River Conwy), blijven we wat kijken naar de forelvissers. Door de hevige regens in de bergen (daar zeg je wat) is het debiet flink gestegen en de stroomversnelling die juist voor het bruggetje ligt, is de geschikte plaats voor een visser. De forel springt voor onze ogen tegen de stroomrichting op. Er zitten beestjes bij van om en bij de halve meter.
Onderweg naar Llanwrst, waar we vanmiddag willen eten, zien Emiel en ik op nog geen 50 meter van ons een buizerd zweven. In het dorp zelf ontdek ik een kring van monolieten zoals in Stonehenge, maar dan in mini-uitvoering. Om 15.00 uur keren we terug naar Betws. Er zijn blijkbaar enkele tenten bijgekomen op de camping, waaronder 2 bijna geheel ronde.
Niet ver van onze slaapplaats ligt een eeuwenoud, door gras overwoekerd kerkhof met in het midden een scheefgezakt kerkje. Op dit kerkhof vinden we zerken van 2-3 eeuwen oud. De dieren, planten en vokgels leven hier ongestoord. Naast dit kerkhof bevindt zich een Suspension-bridge (hangbrug) over de Conwy-river. Om 18.15 uur, na het eten (bollen gehakt) vertrekt Patrick met zijn gehele visuitrusting naar de rivier. Hij komt een stuk later terug, zonder vis natuurlijk. We gaan de stad in, maar alles is gesloten (zondag). Alleen een milk-bar is nog open en we vallen binnen. Patrick heeft zijn onafscheidelijke zonnebril en hoed op. Het barmeisje vraagt waar de zon is (21.30 uur...) Patrick antwoord na een korte aarzeling: ... in my hart! Slaap wel!

Maandag 14 juli 1975


Deze nacht heeft het af en toe geregend, vanmorgen, als Paul en ik naar de “Spar” trekken, komt de zon er af en toe even door. Na het eten maak ik een kleine wandeling in de omgeving. Het is op deze tocht dat ik twee prachtige platte stenen vind (thuis te bezichtigen). Na de middag, rond 14.00 uur, vertrekken we naar Capel Garmon een klein gehucht ten oosten van Bets. Eerste beklimmen we de helling die aan de andere kant van de rivier ligt en komen zo uit het dal. Hier hebben we een prachtig uitzicht op het land. Heel in de verte liggen de Mountains. De Snowdon ligt nog steeds in de wolken, daar komen wij vandaan... Als we terugkeren veranderen we onze route om een hunnenbed van 2500 voor onze jaarteling (Neo-liticum) te bezichtigen. Deze begraafplaats werd reeds volledig onderzocht door archeologen en werd met prikkeldraad afgesloten. Al doorstappend veranderen we nog maar eens van richting om de Ferry-Glenn te bezoeken. Dit is een uiterst smal dal, ontstaan door riviererosie. Je kunt op bepaalde plaatsen de beide wanden met de vingertoppen aanraken. Deze kloof is een goeie 20 meter diep en het zonlicht speelt door de bladeren over het water, zodat je een sprookjessfeer ervaart. We volgen het beekje tot het in “onze” rivier uitkomt en wandelen naar de tent. Na het avondeten wordt er natuurlijk nog wat gekaart en om 22.00 uur gaan we onder dek. Het begint weer lichtjes te miezelen.

Dinsdag 15 juli 1975




Het heeft heel de nacht geregend, maar als we de tentdeur openslaan klaart de hemel terug uit. Patrick en ik lopen na het ontbijt wat rond in de stad en komen Dorothy tegen. Zij gaar vandaag terug naar Ierland, haar vaderland. Na de middag vetrekken we voor een wandeling ten zuiden van Bets. Eerst volgen we de paden die speciaal voor de toeristen werden uitgestippeld, maar dit werkt vlug op onze zenuwen, dus slaan we af, het bos in. Natuurlijk dienen we daardoor hindernissen te overwinnen; zoals een oud overwoekerd brugje beklimmen en ons door een dicht begroeid stuk bos vlechten (wat de kortgebroekten flink wat schrammen oplevert). Op een bepaald ogenblik beginnen Patrick en ik aan een afdaling. Paul en Emiel zijn rondgelopen. Tot onze verbijstering wordt het steeds steiler, we kunnen moeilijk terug en hangen plots aan een nagenoeg loodrechte wand. Het enige houvast dat we hebben zijn enkele mos-plantjes en hier en daar een kleine berk. We bereiken gelukkig toch de grond. Als we terug in de camping aankomen zijn er zoals gewoonlijk heel wat tenten weg en bijgekomen. Vandaag is er Amerikaan uit Californië bij, die samen met zijn vrouw op de fiets door Wales rijdt. Hij heeft een uitzonderlijke zelfgemaakte tent, gebouwd volgens de aerodynamische principes. Hij komt naar ons toe en vraagt of hij onze tent mag fotograferen. Na het avondeten lopen we wat zot te doen voor de tent. Patrick en Emiel hebben blijkbaar nog honger: ze maken deegwaren met tomatensaus, maar eten het niet op (het is ook afschuwelijk om aan te zien). het luchtruim boven ons ziet er donker uit. Hoog boven onze hoofden zweeft een buizerd in een lus de maan tegemoet. Merckx gaat fel achteruit in de ronde (Daily Telegraph).

Woensdag 16 juli 1975



Het weer ziet er goed uit als we aan het ontbijt beginnen: “sunny spells with schowers”. We maken ons klaar om per twee naar Conwy te trekken. De melkboer komt voorbij, hij vraagt of we de tent willen achterlaten als we naar “Belgique” terugkeren, “she makes the camping”. We wandelen we tot aan de grote baan. Patrick en Paul worden bijna onmiddellijk meegenomen door een ijsventer. Wij echter moeten nog een half uur verder liften voor dit gebeurt en we in Llanwrst worden afgezet. We steken de mooie boogbrug over en stappen al liftend tot aan het volgende dorp waar we door een jeep worden meegenomen om 2 mijl verder reeds terug afgezet te worden. Vanaf hier wandelen we opnieuw verder. Als we wat uitrusten aan het hekken van een huis dat midden in een verwilderde tuin ligt, horen we plots een fijne krassende stem die ons vraagt niet op het hekje te zitten. Van tussen het groen verschijnt een oud gebogen vrouwtje. Ze vraagt wie we zijn en wat we hier doen. Ze geeft ons de raad (?) een bocht verder te liften want daar is een bushalte en zelfs een postbus! Wat dat laatste met liften te maken heeft weten zelfs wij niet, maar we wandelen toch maar verder en inderdaad na een half uurtje worden we door een wagen meegnomen en voor de poorten van het kasteel van Conwy afgezet. Het is nu iets na 12.00 uur. Paul en Patrick die hier zouden blijven wachten zijn natuurlijk in de verste verte niet te bespeuren, dus bezoeken we maar het kasteel. Rond 14.00 uur gaan we eten, we lopen wat rond en keren tegen 15.00 uur naar Bets terug. Even buiten de stad zetten we ons aan de kant van de weg, maar niemand neemt ons mee. We wandelen al liftend verder. Nog steeds wil er geen wagen stoppen. Gelukkig is het schitterend weer geworden en lopen we niet zoals vrijdag in de regen. Steeds al wandelend naderen we Trfrew. en nog steeds zoeven de wagens ons voorbij. Als we tot op 2 mijl van Llanwrst zijn gekomen, besluiten we om onze duim maar in de zak te steken en helemaal te voet te gaan. Onderweg halen we al de Vlaamse Liedjes die we nog kennen boven en zingen die uit volle borst (tot vreugde, verbazing en ergernis van andere weggebruikers). Om 21.30 bereiken we eindelijk de tent: zes en een half uur gaan voor de 24 mijl. Na een schamele maaltijd zoeken we onze rustplaats op. Paul en Patrick zijn, nadat ze tot 12.30 in Conwy op ons hadden gewacht, te voet naar Llandudno geweest. Ze hadden meer geluk, maar als we vragen welke weg ze in Gods naam namen komt het uit: wij stonden aan een tweederangsweg terwijl zij de hoofdbaan namen. Daarom was er zo weinig verkeer. De smetteloze hemel is aan het overtreken.

Donderdag 17 juli 1975


Vannacht is het opnieuw begonnen. Het regent. We ontwaken rond 08.00 uur. De Amerikaan is reeds weg als Emiel en ik naar het dorp gaan om eten te kopen. We eten, lopen wat rond, kaarten en vervelen ons. Terwijl de rijst opwarmt lezen we om beurten de krant om te weten dat het met Merckx is gedaan is. Na het eten gaan Patrick en ik enkele postkaarten kopen die we meteen versturen. Als we uit het postkantoor komen, begint het opnieuw te regenen. Ons rest nu alleen wat te kaarten in de tent en wat vroeger dan gewoonlijk in onze slaapzakken te kruipen. Vandaag was heel gewoon een natte rustdag.

Vrijdag 18 juli 1975


Het regent niet meer... Vandaag bezoeken we de hondenwedstrijden te Llanwrst. Paul en ik gaan te voet, de anderen met auto-stop. Als we in het dorp aankomen, vinden we Emiel en Patrick op de boogbrug. We wandelen samen naar de “sheep-dog-trials”, dat zijn wedstrijden die worden gehouden om de beste schaap-honden uit de streek te kennen. Het gaat zo: de schaapherder staat op een vaste plaats, aan de overzijde van de weide worden drie schapen losgelaten en de hond moet ze door drie hindernissen loodsen en in en kraal drijven. De herder beveelt met fluitgeluiden en codewoorden. Hier zien we als spel, wat we aan de Tryfan voor echt zagen. Om 16.00 uur keren we naar de camping terug om er gebruik makend van het mooie weer, onze kleren eens goed wassen. Na het eten wordt er, zoals gewoonlijk, gekaart tot het te donker wordt om nog iets te zien. De tent wordt vandaag eens door mij gesloten.

Zaterdag 19 juli 1975


Ik word om 06.00 uur wakker. Het is muisstil. Plots begint er een schaap te blaten, ergens vlakbij; vreemd om te horen. Ik sluimer wat. Patrick is wakker en staat op. Het is 08.00 uur. Ook Paul vertoont teken van leven. Ontwaak ik nu uit een droom of wat is het? Zoals gewoonlijk ligt Emiel nog te maffen. Het motregent buiten, dus trekken we iets warms aan en wandelen naar het centrum.
Na het middageten trekken we naar de “Swallow falls”. We wandelen eerst een stukje langs het pad, maar dan gaan we van de weg af (hoe is’t mogelijk) want anders moeten we toegangsgeld betalen. We volgen de rivier tot aan de watervallen zodat we geen geld moeten betalen. Er liggen overal rotsblokken zodat we van de ene rots naar de andere kunnen springen. Naarmate we echter dichter en dichter bij de waterval komen, wordt het gevaarlijker. De mensen op de houten brug boven de waterval, kijken hun ogen uit als ze drie gedaanten uit de mist zien opduiken. Het water schuimt en kolkt rondom ons. Miljoenen druppels vormen een nevelig gordijn en maken de stenen onder mijn voeten glad. We zijn nat en vuil als we boven komen. Paul en ik moeten daarbij ook nog naar de overkant want Emiel (die het fototoestel bij zich heeft en dus niet aan het klimpartijtje meedeed) en Patrick zitten daar. We trekken dus onze schoenen uit en proberen al springend over te steken. Deze actie wordt door tientallen gevolgd, want ze gebeurt op een 5-tal meters van de brug boven de kloof waar het water zich naar beneden stort.
Van de Swallow Falls wandelen we verder naar Llanwrst en vandaar terug naar Bets. Paul en Emiel gaan onmiddellijk liften terwijl Patrick en ik nog wat in de stad wandelen. Als we na 10 minuten een winkel buitenkomen en langs de weg in de richting van Bets lopen, zien we de anderen aan de overkant liften. Zoals elke welopgevoede lifter lopen we hen voorbij omdat dit ook zo volgens de internationale afspraken wordt gedaan (je pikt geen plaats: elke lifter wacht zijn/haar beurt af). We zijn niet van plan onze duim uit te steken en wandelen rustig verder richting Bets. Plots stopt er een auto op 20 meter voor ons. We wandelen rustig en de wagen blijft staan. Patrick vraagt of het voor ons is dat ze wachten. Dit is inderdaad zo: de bestuurder had Patrick herkent en voert ons naar de camping want hij kampeert er ook. “Wanneer je Patrick eenmaal gezien hebt, vergeet je hem nooit” zegt hij. Paul en Emiel staan er 100 meter dichter verslagen bij en kijken er naar. Rond 21.30 uur (Paul en Emiel kwamen ondertussen vloekend aan) gaan we met z’n drieën nog iets drinken. Als we in de tent komen slaap Paul reeds.

Zondag 20 juli 1975


Het heeft deze nacht geregend want het tentzeil is nat. We staan op, wassen ons en eten. Vandaag gaan Patrick en ik naar Llandudno, Paul en Emiel willen het meer zuidwaarts proberen en trekken naar Portmadoc en Bedgelert. Om 12 uur komen Patrick en ik te Colwyn-bay aan. We zijn opgepikt door de mensen die deze nacht naast onze tent sliepen. Van Colwyn trekken we te voet langs het strand naar Llandudno. De kustlijn is niet vlak zoals bij ons: ze bestaat uit uitspringende rotsen met grillige vormen. Ook het strand is verschillend: het is een lint van grove keien en stenen dat moeilijk te bewandelen is. We hebben nogal wat bekijks: Patrick in zijn korte broek, open sandalen en zonnebril en hoed, ik met zware schoenen, dubbele kousen, broek opgerold tot net boven de knie en bloot bovenlijf. De laatste klif voor Llandudno is een gevaarlijke hindernis die ik liever omzeil, maar Patrick begint ze natuurlijk langs de zeekant te beklimmen. De rotsen schieten kaarsrecht uit het water op en worden door duizenden meeuwen bewoond. Als we elkaar op de top terugvinden, kunnen we mijlenver zien. De Mountains kruipen als het ware uit de zee op en boren hun toppen in de weinig wolken die er vandaag zijn. We dalen af en bezoeken de stad. Tegen 17.00 uur trekken we naar Conwy waar we het kasteel nog maar eens bezoeken, want Patrick was er nog niet binnen. Nadien trekken we te voet naar het rond punt enkele kilometers buiten de stad. Daar installeren we ons om te liften.
Er stopt een auto; de bestuurster is een erg oud vrouwtje. Dit hebben we nog niet gehad. Het wordt een adembenemende tocht tot in Lanwrst. Ofwel is deze auto het gewoon, ofwel kan deze vrouw niet rijden, één ding staat vast: het vehikel en de bestuurster halen onmogelijk het einde van dit jaar. Patrick zit op de achterbank met de deurklink in zijn hand verkrampt te zweten en te beven. Ik hou mijzelf muisstil, want ik voel dat de geringste beweging de aandacht van het besje naast mij afleidt, wat een slingerende auto tot gevolg heeft. Patrick smeekt mij om niet meer met de bestuurster te praten. We worden meer dan dan levend in Llanrwst afgezet. Nooit meer! Vanuit Llanrwst worden we snel terug meegenomen door een moeder en zoon die naar Bets rijden. Als we er omstreeks 20.00 uur aankomen, ligt Paul reeds in de tent. Emiel bevindt zich blijkbaar nog ergens rond Caernarvon. Naast onze tent ligt er een nieuwe buur letterlijk op de grond. Het is een Amerikaan die uit Nederland en België komt en nog heel Engeland wil bezoeken. Gewoonlijk slaapt hij in B&B, maar vandaag waren de banken dicht, hij kon dus geen “cash” krijgen en moet dus onder de blote hemel slapen. We hopen voor hem dat het niet regent. Emiel komt die avond heel laat op de camping aan.

Maandag 21 juli 1975


Als ik wakker wordt, is Paul reeds buiten. Hij is eigenlijk meestal als eerste wakker. Na het ontbijt gaan we samen inkopen doen terwijl Patrick en Emiel verder maffen. Ik koop naast een “op-de-broek-naaibare-vlinder” en geurbol voor zus Lieve, ook een kookboek met recepten uit Wales voor mijn ma. Paul versmijt zijn geld aan dure dingen. Als we terug komen, zijn de anderen uit hun nest. Na de middag vertrekken Patrick en Emiel naar Llandudno. Het lijkt wel of Patrick een voorliefde heeft voor deze stad, want het is nu reeds de derde keer voor hem. Paul en ik willen de rotswand ten westen van de camping beklimmen; zo hebben we alle windstreken uitgekamd. Deze beklimming is vlugger achter de rug dan we dachten en dus maken we nog een wandeling. We bezoeken eerst een meertje en gaan dan tot de rivier die we voor de tweede keer tot aan de Swallow Falls volgen. Paul wil aan het oude mijnhuis oversteken. Ik probeer wat verder en val in het water zodat ik tot aan mijn borst nat ben. Aan de weg, die langs de rivier loopt, wring ik mijn kousen uit en laat ik mijn jeans uitdruppen. Paul wil kost wat kost het “Ugly House” zien en ik loop op mijn blote voeten mee. Plots stopt er een auto voor ons. het is een Belg! Tot onze grote verbazing zijn het de “Bostyns” die we hier op de auto lopen (afgeleid van op het lijf lopen), en dat zijn de buren van Paul! Die kamperen in Corwen. Na wat over en weer gepraat, stappen we verder naar het “Ugly House”. Dat is eerst en vooral helemaal niet “ugly” en ten tweede moeten we natuurlijk betalen. rechtsomkeer dus naar de camping. Ik heb ondertussen kousen en schoenen terug aan, Paul heeft een enorm eikenblad voor de gulp hangen; kwestie van genoeg bekijks te hebben... Op de camping vinden we onze Wig-Wam bijna helemaal door tenten ingesloten. Patrick en Emiel komen laat in de avond aan. Ook zij hadden een leuke dag (oeps: ’t schijnt dat het vandaag de Nationale Feestdag was).

Dinsdag 22 juli 1975


Vannacht heeft het opnieuw geregend. Van een hittegolf is geen sprake: de laatste dagen is het weer aan het verslechteren. Ik sta op en ga me wassen. We eten rijst (sic) en daarom moeten we een nieuwe gasfles aankopen, want de andere is nagenoeg leeg. Na de middag begint het hevig te regenen, dus neem ik een stortbad zodat ik als nieuw ben om het goede oude vuile London te bezoeken. Deze laatste dag te Bets brengen we al kaartend in de tent door. De regen wordt steeds erger: als we om 23.00 ophouden met wat mijn vader “zever en prietpraat” noemt, stortregent het. Net als ik indommel schrik ik wakker van een verblindende flits, gevolgd door een oorverscheurende donderslag. Mijn oren suizen minutenlang na. Eindelijk val ik in slaap.

Woensdag 23 juli 1975


Om 07.00 uur is Paul zich reeds aan het wassen. Het regent niet meer, maar de camping heeft het erg te verduren gehad: overal liggen er vijver-grote plassen en de tenten zijn doorweekt. We pakken ons boeltje bij elkaar en verlaten, nagewuifd door enkele sympathisanten omstreeks 09.30 de camping. Aan de uitgang komen we de melkman tegen: wij doen teken dat hij mag stoppen want we willen melk kopen. Hij grijpt onmiddellijk 4 flesjes, maar van betalen wil hij niet horen: “No, no; on the house, you’re good customers!”. Schaterlachend springt hij achter het stuur van zijn wagentje en bolt hij de bocht in. We lopen al drinkend naar het station. Om 10.15 stappen we op de trein naar Llandudno-junction. Ik haal mijn internationale reductie-kaart boven en de controleur slaat in paniek. De inspecteur wordt er bij gehaald, maar dat leidt tot niets. Dit heeft hij blijkbaar nog nooit meegemaakt. Ik betaal 28p voor een ritje naar Llandudno en Emiel - die even verderop zit en ook zo’n kaart heeft - betaalt... 32p. Paul is slim: hij vraagt net zoals ik een kaartje naar Llandudno maar neemt daar samen met mij onmiddellijk de aansluiting naar Crewe. Daar wij het station niet verlaten en er blijkbaar geen controle is op de trein, rijdt hij helemaal gratis tot Chester. Daar splitst de groep: Paul en ik blijven op de trein, Patrick en Emiel nemen een andere. We komen om 15.00 uur in Euston aan. Daar nemen we de metro tot in Victoria en dan de trein tot in Crystal Palace. Daar ligt, net naast de TV-mast en op nog geen 200 meter van het bekende sportterrein, een camping. Om 20.00 uur komen ook de anderen aan. Zij hebben zich niet aangemeld aan de ingang en slapen dus gratis. We drinken nog een pint in de “Witte Zwaan” en gaan om 24.30 uur slapen.

Donderdag 24 juli 1975


Ik word wakker door het gebrul van landende vliegtuigen. Er is hier blijkbaar ergens een vliegveld in de buurt. We wassen ons en vertrekken naar het centrum. Patrick en Emiel kwamen gisteren met de bus. Zo doe je er wel een uurtje over, maar het is goedkoper dan de trein en we zitten ondertussen ook eens op een dubbeldekker. We bezoeken samen het National History Museum. Het museum is zo immens groot dat je er een maand kunt in rondlopen voor je alles bekeken hebt, en dan nog maar vluchtig. Daarbij komt nog het Science Museum dat juist naast het History Museum ligt en waar men ook ettelijke dagen kan in ronddwalen. Na 16.00 uur lopen Emiel en ik nog wat in de stad rond. We kochten deze morgen een speciale kaart waarmee je voor 50p een hele dag in Londen mag rondrijden. Om 18.00 uur gaan we in een Wimpy bikken en om 20.00 uur stappen we een filmzaal binnen om er de film “Tommy” te bekijken. Als we om 23.30 bij de tent aankomen, liggen de anderen reeds te maffen.

Vrijdag 25 juli 1975


Vanmorgen ben ik om 09.30 alleen naar de stad vertrokken want ik wil Tate Gallery bezoeken. Men kan er beroemde schilderijen van meesters zoals Dali, Van Gogh, Manet, Picasso enz... bekijken. Zoals bij alle musea is er ook hier een winkeltje voor toeristen. Ik koop er een postkaart met een schilderij van Manet. Kort na de middag neem ik de bus naar Oxford-Circus want ik wil ook nog het British Museum binnenwandelen. Hier kun je dus echt jaren blijven rondkijken: de Rosetta-stone, mumies, versieringen van het Parthenon, handschriften van G.F. Händel, I. Strawinsky en zelfs Leonardo da Vince. Als ik buitenkom, loop ik Emiel tegen het lijf (!). We wandelen samen door Soho. Net als we Baker Street bereiken, ontmoeten we Paul en Patrick (!) wat een toeval allemaal. We drinken samen iets in de Western-bar en eten in een Wimpy. Omstreeks 21.00 uur keren Paul en ik naar de camping terug: mijn geld is nagenoeg op (nog £1.50) en ik moet nog twee dagen in leven blijven! Achter onze tent logeren drie Noorse meisjes. Ze vertrekken zaterdag of zondag naar België. Ik stel hen voor om te Brugge in “de Hoeve” te overnachten. Patrick en Emiel komen wat later aan: ook Patrick zit op droog zaad... om 23.00 uur gaan we slapen.

Zaterdag 26 juli 1975


Vandaag blijven Patrick en ik in de camping achter: het is voor ons onmogelijk om naar het centrum te rijden, alleen de al rit kost 50p. Wij maken wat soep klaar en met de restjes brood die we bij elkaar zoeken verkrijgen we toch een betrekkelijke maaltijd. In de namiddag wandelen we wat rond in de buurt. Zo ontdekken we een park waar er een kinderzoo is. We bezoeken deze dierentuin (t’ is gratis) en zien dat ze naast wat geiten en een vlucht duiven toch ook een koppel apen bezitten. Om 16.00 uur keren we naar de camping terug, maar van het niets doen wordt men vlug moe en daarom zetten we ons nog een half uurtje op een bank naar de vogeltjes te kijken. Er komt een oud mannetje naar ons. Als hij hoort dat we uit België komen, begint hij te tateren over 14-18. Hij zat toen ergens bij “Brussels” en woog nog 6 stone’s (zou 36 kg zijn). We luieren nog wat rond en wandelen dan op onze dooie gemak naar de tent waar Paul en Emiel tegen 19.30 met hun inkopen aankomen. Paul versmeet al de rest van zijn geld aan platen.Hij heeft nog 30p over, net genoeg om de trein te betalen. Patrick zegt vannacht niet te willen slapen en hij legt zich buiten. Als het tegen 01.00 uur te koud wordt, komt hij toch naar binnen geschoven. Morgen reizen we naar huis terug...

Zondag 27 juli 1975


In alle stilte pakken we de bagage in. De camping ligt in diepe rust, de zon is net op. Om 06.00 uur verlaten we Crystal-Palace en kuieren we naar het station. Patrick vind er (natuurlijk...) een biljet van £1 waarmee hij een stokbrood koopt. We delen het in vier, zo hebben we toch allemaal iets gegeten. Om 07.00 uur komen we in Victoria Station aan waar ik mijn bagage laat inschrijven. Ik dacht dit zomaar te doen, want ik reis met een gratis biljet, maar men wil daar niet van horen, ik ben dus verplicht geld te lenen bij Emiel. Om 09.00 uur verlaten we London. Er zit een Poolse in ons compartiment. Zij krijgt hulp van een vriendelijke Nederlander. In Dover schepen we vlug in en zoeken ons een plaatsje aan het dek. Patrick heeft dekstoelen weten te bemachtigen zodat we kunnen zitten. Nadat het schip vertrokken is, leggen we al de resterende munten bij elkaar en kopen we ons hiermee het laatste eten van de reis. Om tijd en verveling te verdrijven, beginnen we “een potje met vet” te zingen. We komen tot het duizendste “couplet”. Dit valt natuurlijk op (het duurt een kwartier voor we door dit couplet zijn) en naast ons zit er eentje te gieren van het lachen. Ze biedt ons een koek aan. We praten wat over en heen, vertellen enkele mopjes en wat prettige reiservaringen en komen zo ongemerkt in Oostende aan. Nadat we afscheid hebben genomen, stappen we op de trein en rijden Brugge tegemoet.

Wales 1975: verslag van een reis © Luc Goethals
Reisdagen: 27 - Regendagen: 8 - Uitgaven: £168 [± €330]