Goet-Luc's pagina's

Van harte welkom!


Région Centre 2011

IMG_0301

Verslag van een reis...


De regio “Centre” is een gebied in Frankrijk dat - op het departement Loir-et-Cher na (Orleans, Blois, Tours) - minder bekend is bij de toerist. Wij ontdekten er in 2002 bij toeval Saint-Sévère, Pouligny-notre-Dame en La Châtre (Berry) en waren zo betoverd dat we besloten om er later nog eens terug te keren. In de zomer van 2011 werden deze plannen werkelijkheid. Tijdens het eerste deel van de reis wilden we tot rust te komen in Le Veurdre, een dorpje in het noorden van het departement Allier. Pas tijdens de laatste vier dagen van onze reis zouden we in de Berry verblijven.

Dag 1


Parcours: we vertrekken rond 09.30u. uit Brugge en rijden via de A17 naar Kortrijk waar we de E17 nemen richting Parijs. Mia heeft een lekkere picknick voorzien die we op de middag enkele kilometer voorbij Senlis in de “Aire de Vémars”aanspreken. Deze typische stopplaats op de autostrade heeft ons niets uitzonderlijk te bieden buiten het feit dat ze gewoon ideaal in ons schema past om op de middag te eten. Om 12.45u. stappen we terug in onze C3 Picasso en reeds na enkele kilometer rijden we onder de landingsbanen van de luchthaven Charles-de-Gaulle door waarna we de A3/E15 (richting A86/A10: Bordeaux/Nantes/Bobigny) kiezen. We blijven die volgen tot Périphérique. Vanaf daar gaat het beduidend minder vlot. Op de Boulevard Périphérique nemen we richting Bordeaux/Nantes/Lyon/Evry waarna we over de Seine rijden en de afslag A6b/A10 nemen (richting A6b/A10 Bordeaux/Nantes/Lyon/Evry). Zo zouden we normaal gezien vlot op de Autoroute du Soleil moeten komen maar voor we zover zijn, verliezen we ruim een uur want het verkeer zit vast en dat hadden we op deze zondag middag helemaal niet verwacht. Eens op de A10 houden we links aan en nemen we de A6 naar Evry/Lyon/Chilly-Mazarin (we rijden voorbij Orly). Na ongeveer 35 km nemen we de afslag N37/N7 (D637 > D607) naar Fontainebleau waar we rond 14.15u. na ongeveer 360 KM aankomen.


Eenmaal in Fontainebleau verliezen we heel wat tijd om een parkeerplaats te vinden en daarom besluiten we na lang zoeken om met de auto op de “Place Napoleon Bonaparte” de Vinci-parkeerplaats rechtover de “Postes et Télégraphes” in te duiken. Eenmaal terug boven overspoelt ons een zomerse kermissfeer, draaimolen inclusief. Het is duidelijk vakantie: de terrassen zitten vol, er is druk verkeer en de zon schijnt uitbundig. Rechtover de uitgang van de parking, merken we de „Grille du jardin de Diane”. We besluiten om de tuinen van het kasteel te bezoeken. Het is er lekker koel onder de bomen. Mia en Trees wandelen voorop terwijl ik even achterblijf om te filmen. Als ik bij hen terugkom is Trees ongelukkig: mama heeft moedwillig de bordjes genegeerd die verbieden om op het gras te lopen. We laten het niet aan ons zonnig hart komen en wandelen rond het kasteel. Op de beroemde hoefijzer-trap laat ik mij vereeuwigen met mijn strohoed op kwart-na-negen en de rechterhand op het hart. Via de “Grotte des Pins” en de “Jardin Anglais” belanden we bij het “Parc” en zijn kanaal waar Mia erg onder de indruk raakt van de beelden aan de Avenue des Cascades. We wandelen verder en verlaten het park om via de “Place d’Armes” terug aan de “Jardin de Diane” te komen. Terwijl we er wat uitrusten, maak ik er gezeten op een stenen bank bij de fontein van “Diana met de urinerende honden”, mijn eerste reisschets.

P1010003

We zijn toe aan een terrasje en vinden op de Rue Grande nr. 11 een tafeltje in de “Le Hamlet”. Mia drinkt er een Anis, Trees eet een ijsje en ik geniet van mijn eerste smaakvolle expresso: deze vakantie kan niet meer stuk. Rond 17.30u. vertrekken we naar ons hotel dat niet in Fontainebleau zelf ligt, maar enkele kilometers daar vandaan in Ury.

Parcours: van Fontainebleau naar Ury (hotel) via de (N)D152 Orléans/La Chapelle-la-Reine/Malesherbes (± 10km)

Hotel Novotel Fontainebleau Ury, ligt aan de rand van het woud. De ontvangst in het hotel is erg professioneel. We krijgen er een koele kamer met extra deur, d.w.z. een deur die het toilet en de buitendeur van het slaapgedeelte afsluit. Daar hou ik van: de meeste hotelbezoekers houden geen rekening met gasten, meestal zakenmensen, die om een of andere reden vroeg uit de veren moeten en daarom ook vroeg gaan slapen. Er is wel een ongekende hoteletiquette die zegt dat je op de gang steeds rustig blijft, maar wie denkt daar nu aan? Trees wil gebruik maken van het openluchtzwembad. Ondertussen leest Mia en schrijf ik in mijn reisboekje: een lekker in de hand liggend "soft plain notebook pocket" (productnr 44456) van Moleskine®. Het avondeten is erg lekker. Ik degusteer er o.a. een carpaccio van Charolais...

Hotel Novotel Fontainebleau Ury Route Nationale 152 Chemin de melun - 77760 URY


Dag 2


Parcours: vanuit Fontainebleau naar Le Veurdre > richting A6/E15 rijden (zuiden ± 1km) > oprit A6/E15: Lyon/Auxerre/Montagris na 20 km afrit A77: Nevers/Montargis > na ±140 km de afrit 24 nemen naar Sancerre/Suilly-la-Tour/Tracy-sur-Loire > rond 11.45u eten te Sancerre (Sancerre-wijn en Chavigol-kaas) met bezoek door het volgen van de “Le Fil d’Arianne” een lijn in de straten van de stad > omstreeks 14.30u terug naar A77 richting Nevers:Pouilly-sur-Loire > na ± 28 km afrit 28 nemen naar La Charité-sur-Loire bezoek van de stadswallen : de boekenstad en de winkel “Confisserie du Prieuré” voor de snoepjes “charitois(e)” > 16.30u > terug naar A77: Nevers/Pougues-les-Aux A77 wordt N7 (N76) afrit naar Bourges/Sancoins en Saint-Pierre-le-Moûtier naar Livry en Le Veurdre rond 18.00u aankomst

Na een lekker ontbijt en een vlotte en vriendelijke check-out, rijden we de A6 op. Het gaat deze morgen heel vlot en voor we er erg in hebben, zitten we reeds op de A77 richting Nevers. Deze mooie en rustige autoweg die een zacht glooiend landschap met mooie vergezichten doorkruist, is blijkbaar de “update” van de legendarische N7. Op regelmatige afstand krijg je alternerend links en rechts van de weg groepjes bomen geserveerd waarbij de naam van de boomsoort duidelijk is geafficheerd. Enkele kilometer na afrit 24, duikt hoog gelegen op een heuvel, Sancerre op. Dit geeft een echt waauw-gevoel! We rijden over de Loire en komen via een pittoresk kronkelende weg aan de “Rampart des Dames” waar we onze wagen parkeren. Het is schitterend zomerweer. Sancerre blijkt een typisch Frans toeristenstadje te zijn, maar op een aantal lawaaierige Nederlanders na is het in het centrum verbazend stil. We maken een korte wandeling waarbij we de “Fil d’Arianne” gedeeltelijk volgen. De uitzichten op de Loire aan het Office de Tourisme en vooral aan de bibliotheek (Rue des Degrés, zijkant Hotel de Ville) zijn immens rustgevend. Op de middag eten we in “Le Bout du monde”; kon beter maar het smaakte ons toch. Terug naar de auto, even buiten Sancerre tanken aan de Carrefour en dan richting A77.

De volgende stop is La Charité-sur-Loire (afrit 28). We willen het stadje bezoeken omdat het als boekenstad wordt gepromoot. Blijkt dat dit sterk overdreven is en daarenboven ontdekken we dat twee andere publiekstrekkers, namelijk de “Confiserie du Prieuré” en het restaurant “La Poulet Noire”, vandaag gesloten zijn. Niet getreurd echter, want de smalle straatjes en vooral de “ramparts” zijn een bezoek echt waard. La Charité is werelderfgoed. Oorspronkelijk was er een immense abdij. De naam komt vanwege de alom gekende vrijgevigheid van de monniken... Grote delen van de gebouwen werden kort na de Revolutie verkocht aan particulieren en net zoals dit te Cluny (waarvan de La Charité een soort “filiaal” was) gebeurde, versmolten stad en abdij doordat er op de voormalige gronden gewone huizen werden gebouwd. Op de trappen naar de Abbatiale Notre Dame (Cour du Château) zit een pelgrim/reiziger/clochard. Hij doet teken en zegt iets onduidelijks. Ik blijf staan en luister. “Vous êtes pjeeterpaan”. Ik vraag niet begrijpend wat hij bedoelt. “Mais, comme dans le film de waldiesnie!” Aha, hij bedoelt waarschijnlijk Peter Pan. Ik zeg hem dat ik mij inderdaad nog zo jong voel als Peter Pan. Zijn gezicht klaart op. “You are coole!” en met duim omhoog “You goode, thankejoo!”. Ik wandel met een goed gevoel verder.

De laatste stop is Le Veurdre. Hier ligt het hotel dat ons door een vriend werd aanbevolen. Ik had er een beetje een bang gevoel bij. Je moet maar eens googelen en eventueel op straatniveau bekijken hoe groot deze voorschoot wel uitvalt: twee straten die loodrecht op elkaar liggen, een minuscuul dorpspleintje met fonteintje en een kerkje. Verder: niets. Moeten we daar 4 dagen verblijven? Gelukkig kon Mia mij overtuigen: rust, rust en nog eens rust. En inderdaad. Het hotel valt enorm mee. Vriendelijke ontvangst, ruime eetzaal, rustige kamers en een openluchtzwembad waar Trees goed blij mee is. Na het zien van de ons oorspronkelijk toegewezen kamer vragen we een upgrade. Die wordt ons zonder problemen voor een relatief kleine meerprijs geboden. We besluiten ter plaatse om ook half-pension te nemen. In de kamer cirkelt een grote ventilator aan het plafond ons de broodnodige koelte toe (het is 32°), we hebben een prachtig uitzicht op een moestuin waarin een traag schuifelende autochtoon luistert naar het groeien van zijn boontjes en Trees heeft veel ruimte voor haar armen en benen. Daarenboven wordt het eten deze avond beslist lekker!

Hotel Le Pont Neuf Faubourg de Lorette 03320 Le Veurdre


Dag 3

Parcours: vanuit Le Veurdre naar Apremont-sur-Allier > D978A > D13 > D101 > D45 (25 km) bezoeken van de tuinen en middageten > D45 tot La Grenouille en D976 tot Le Guétin met bezoek van “Le pont canal” > D976 terug tot La Guerche sur l’Aubois > D920 > D15 tot Germingny-l’Exempt > D43 over Vereaux > D76 tot Sagonne (27 km) met bezoek van het kasteel > terug naar D2076 richting Sancoins > D43 richting Le Veurdre (wordt D13) (22 km).

Ook al was het vannacht erg warm (de ventilator deed nochtans goed zijn werk), toch sliep ik relatief goed. Vandaag maken we een eerste trip in de wijde omgeving van Le Veurdre, maar eerst wandelen we naar het centrum voor onze inkopen: we willen deze middag picknicken. In de Rue d’Allier vinden we een boulanger (en dat rijmt nog ook). Het is de bakker zelf die witbestoven vanachter zijn oven komt om de klanten te bedienen. Ik koop er naast de obligate flûte (een dubbeldikke baguette) ook een stuk verse pruimentaart die, ik gezeten op het bankje voor de winkel, met Trees deel. Dan gaat het richting “Petit Casino” (Rue Monnet) voor het broodbeleg en de drank. Mia vraagt er aan een dame welke camembert volgens haar de beste is met als gevolg een geanimeerd gesprek... tussen twee lokale gourmandes. Uiteindelijk komen ze er toch uit en kunnen we terug naar het hotel om de auto te nemen.

Onderweg worden we net buiten Château-sur-Allier nog even opgehouden door een troepje Charolais die van de ene weide naar de andere worden geleid, en na een ontspannende rit komen we te Apremont aan. Aanvankelijk ben je wat terughoudend. Het lijkt niet echt, het ziet er bijna... “Bokrijkiaans” uit; alsof het gras door een kapper werd afgewerkt en de straten worden gestofzuigd, maar naarmate je langer rondwandelt, treft de schoonheid je meer en meer. Er zit een eenheid in het geheel. We bezoeken de weergaloos mooie “Jardin de Apremont”. Hier kom je écht tot rust. Honderden en honderden soorten bloemen, planten en bomen wedijveren met elkaar in evenveel overweldigende kleuren en bedwelmende geuren; hoger gelegen grasvelden met verrassende doorzichten nodigen je uit om even te gaan liggen; beneden aan een bruisende waterval loopt het kalmerende water uit in een vijver waar een speels aangebrachte brug je aanzet tot avontuur. Overal zijn er uitnodigende banken. De enige geluiden die je hoort zijn afkomstig van het klaterende water, de boven je hoofd acrobatisch zwierende zwaluwen en het klokje van de dorpskerk dat het Angelus klept: geen bromfiets, geen auto, geen vliegtuig. De thermometer haalt moeiteloos 33° Celsius, maar je voelt het niet want het lijkt alsof een onzichtbare Japanse waaier de tuin van een kalmerende koelte voorziet. Hoog boven dit alles uit rijzen de muren van een imposant kasteel. We verlaten dit paradijs en zoeken de boorden van de Allier op. Daar genieten we van onze picknick en blijven we twee uur zalig neer gevleid in de graskant onder een oude boom van de natuur snoepen; van de kleine dingen: een mopje een plaagje, een zwaluw die over het water scheert, twee fietsers die voorbijrijden, een kat die behoedzaam naderbij komt en voorzichtig de restjes van de kip van tussen je vingers haalt, het niets moeten doen en veel, heel veel tijd hebben...

Nadat we het picknick-laken opplooien, deponeren we alle restjes van onze maaltijd in een vuilbak en rijden we enkele kilometers verder langs de rivier waar we in Le Guétin onze wagen in de “Rue Port” onder een rij platanen parkeren. Een korte wandeling brengt ons naar “Le pont Canal”. Deze 340 meter lange waterbrug uit 1838 overspant de Allier. Er worden net twee schepen versast. Dit is tegelijkertijd een o zo overweldigend en toch vertrouwelijk gebeuren. De dubbelsluis ontvangt beneden de schepen. De majestueuze sluisdeuren draaien langzaam dicht. Twee schuiven worden opengedraaid en gigantische kolken van bruisend water donderen het sas binnen. Samen met het wassende water stijgen ook de schepen langzaam tot het eerste niveau. Dan gaan de binnendeuren van het sas open. De schepen glijden tussen de hoog opstijgende muren door naar de volgende kamer. Weer gaan de deuren dicht en begint het waterspel opnieuw. Uiteindelijk draait bovenaan de sas-poort open en kunnen de plezierschuiten de brug opvaren. Er heerst een immense rust want het hele gebeuren kan niet geforceerd worden. Mensen blijven even staan en zwaaien naar de schippers. De zon weerspiegelt briljant fel op het zacht rimpelende watervlak. Beneden aan de brugbogen liggen mensen op een handdoek; ze luieren en zonnen. Kinderen spelen in de rivier. Het is zomer.

We keren met wat tegenzin terug naar de auto, maar de dag schuift verder en we willen nog naar Sagonne. De rit brengt ons langs verstilde dorpen en over breed slingerende veldwegen waar de 18de eeuw nog ademt, naar een nagenoeg verlaten gehucht met een eeuwenoud kasteel. We hebben geluk: het geleide bezoek start net en we kunnen er nog bij. Dit middeleeuws slot moet vroeger immens zijn geweest! Het is niet te vatten dat mensen dit nagenoeg met de hand hebben gebouwd, zonder de technologie die wij nu kennen. Je verstilt hier van.

Na dit bezoek rijden we terug naar het hotel. Onderweg stoppen we nog kort in Sancoins om er enkel verkoelende blikjes drank aan te schaffen. Dit dorp, dat blijkbaar vooral bekend is bij veehandelaars van over heel Europa, straalt een vergane glorie uit. Als jongere kun je je hier enkel maar vervelen. Het heeft wel iets om op de trappen van de kerk gezeten naar de bewegingen van de schaarse inwoners te kijken. s’ Avonds drinken we bij ons diner een glas zalige Pouilly-Fumé.


Dag 4

Parcours: van Le Veurdre naar Chantenay-Saint-Imbert > D22 dan N7 richting Moulins (35 km).

Vandaag willen we Moulins bezoeken. Le Veurdre ligt aan de Allier. De gelijknamige rivier vormt hier de grens tussen de departementen Allier en Nievre. Onmiddellijk nadat we de brug overrijden, kiezen we rechts de rue "Claire Fontaine" (D22). Er duikt plots een buizerd van tussen de bomen op. Hij kan de voorruit van de auto nog net ontwijken en laat hierbij verschrikt zijn prooi op de weg vallen.

Bij Chantenay-Saint-Imbert rijden we de N7 op. Hier is de weg nog niet tot autostrade omgebouwd en kunnen we van de vergane glorie proeven. Platanen, oude verbleekte reclameborden, een tankstation. Het gaat vlot. Het is beduidend minder warm dan gisteren (34° werd 25°), maar daar zijn we niet rouwig om. In Moulins parkeren we de auto in de "Cours de Bercy" en trekken we via de "Rue de Paris" de stad in. Ik wil er kost wat kost de winkel van Confiseur-chocolatier "Bernard Serardy (1898)" zien. We ontdekken een aardige etalage vol snoep en chocolade, maar de beroemde "Palets d'Or" zijn op het eerste gezicht niet te vinden. Daarom wandelen we verder naar het Palais Ducal waar we het museum "Anne de Beaujeu" bezoeken. Hier is vooral de collectie schilderijen op de eerste verdieping de moeite waard. Het "Maison Mantin" dat in een foldertje in ons hotel wordt aanbevolen, gaat pas na de middag open, dus zoeken we dat andere monument uit de 19de eeuw op: "Le Grand Café (1899)" op de "Place d'Allier". Het imposante en overdadig van spiegels voorziene interieur biedt naast een indrukwekkend plafond vol naakten ook een zeer degelijke kaart met even degelijke service. We genieten er als prinsen en prinsessen van een heerlijke (en betaalbare) quick-lunch. Dit moet je echt gedaan hebben als je Moulins bezoekt. Nog zo'n aanrader is het reeds genoemde museum Mantin dat een kijk geeft op het huis van een Bourgois uit de vorige eeuw. Kamers vol vreemde snuisterijen en kunstige geheimzinnigheden, mooie meubeltjes en verrassende faits-divers weten je een droomtijd lang in hun greep te houden. Na deze uitstap in een nabij verleden, maken we een wandeling naar de overkant van de rivier. Daar willen we het „Centre national du costume de scène” bezoeken. Op de brug heerst er chaos: men haalt wrakhout uit de rivier en het verkeer loopt vast. Wij genieten van het uitzicht, de bedrijvigheid en het water. Het Centre ontgoochelt eigenlijk een beetje. Buiten de weliswaar prachtig gekleurde kostuums, is er niet zo veel te zien of je moet een degelijke bagage aan Franse toneelcultuur bezitten en de taal vlot meester zijn. We keren dus terug naar het centrum waar we na een dorstlessertje in Le Grand Café toch nog maar de winkel van Bernard Serardy binnenstappen. De ontvangst is verrassend joviaal. Geen hyper commercieel gedoe: er wordt tijd voor je uitgetrokken. De dame biedt ons elk - naast een degelijke uitleg - een "Palet d'Or" aan. Zo'n palet blijkt, buiten het ontstaansverhaal, eigenlijk niets buitengewoon te hebben, tenzij dat er boven op de chocolade een petieterig klein strookje echt bladgoud ligt. Achteraf gezien had ik er beter niet van geproefd, want in de loop van de avond blijkt dat "iets" van deze lekkernij mij is misvallen. Ik heb helemaal geen zin in eten en vecht tegen misselijkheid. Kan ik niet tegen het eten van goud?

Dag 5

Veur


Parcours
: van Le Veurdre naar Nevers.

Op maandag 09 februari 1671 kwam madame de Grignan, dochter van Marie de Rabutin, in Nevers aan. Terwijl we aan het Palais Ducal staan, denk ik aan deze passage uit de brieven van Madame de Sévigné (1626-1696). Hier zou ze dus uit de koets kunnen zijn gestapt.

Nevers is niet echt de moeite van een bezoek waard. De stad oogt wat slordig en onoverzichtelijk en buiten de brug over de Loire en het parkje voor het Palais - waar we picknickten - is er is weinig uitzonderlijks te zien. Daarom zoeken we in de rue François Mitterand 96 het in 1893 opgerichte huis “Au Négus” op om er de wereldberoemde bonbons te kopen. Een groen metalen doosje met een 10-tal halfzachte “karamellen” kost zo maar even 8 euro! En toch doe ik het. Het verhaal rond het ontstaan van deze lekkernij is namelijk vermakelijk: ze werd in 1900 gecreëerd naar aanleiding van een officieel bezoek door de Négus (koning der koningen of Keizer) van Ethiopië, aan Frankrijk. Het half doorschijnende snoepje bestaat uit een chocoladekern die met zachte karamel wordt omhuld. Meer is het niet. Ik spaar ze voor thuis, want daardoor wordt elke betaalde euro straks ook een beetje gesnoepte herinnering.

Mia krijgt last van vermoeide spieren. We keren dus kort na de middag naar ons hotel in Le Veurdre terug. Terwijl de dames zich op de kamer bij het spelen van enkele partijtjes schaak kostelijk amuseren, trek ik naar buiten. Op de in Brugge aangekocht stafkaart van de streek werd een wandeling van een 5-tal kilometer uitgezet. Ik start aan de kerk en stap voorbij de Mairie tot aan het kerkhof. Daar verlaat ik de hoofdweg om er in de “rue Moulin Bonin 2” bij Christian Robin-Bongard een pot honing te kopen. Dit werd mij aanbevolen door Jean Ducroix van Le Pont Neuf. Daarna volg ik een stukje van een GR die tevens kort samenvalt met de Via Lemovicensis, een van de routes naar Santiago de Compostella. Aan de oude vervallen watermolen moet ik het water over. De smalle loopbrug is overwoekerd met takken en struiken. Vanaf hier wandel je in de volle natuur: geen verharde weg, overal groen, hier en daar in de verdorde weiden een groepje Charolais-koeien die nieuwsgierig komen kijken. Ze zien er nogal mager uit. Ik loop langs een vervallen boerderij waar geen teken van leven is te bespeuren en kies voorbij Le Pavillon voor een binnenpad. Wat verder merk ik tussen de bomen tientallen bijenkasten; het is dus hier dat mijn honing werd geoogst. Bij de afdaling naar Château-sur-Allier loop je door een prachtige holle weg. Vanaf hier wandel ik terug op de hoofdbaan en zie ik na een honderdtal meter reeds de kerk terug opduiken. De cirkel is rond. De dag was mooi. Morgen rijden we richting La Châtre voor het tweede deel van onze reis.

Dag 6

Parcours: vanuit Le Veurdre via Lurcy-Lévis, Tronçais en Meaulne naar Épineuil-le-Fleuriel (Schooltje van Alain-Fournier 1886-1914) (±50 km = ± 1 uur). We rijden door het Eiken-woud van Tronçais. Aangepland door Colbert (1670) onder Lodewijk XIV. 10600 hectare! Van Épineuil-le-Fleuriel via Saint-Vitte en Vesdun naar Culan en via Chateaumeillant en Sainte-Sévère naar Pouligny-Notre-Dame (hotel Les Dryades) (± 30km = ± 35’)

Het hotel “Le pont neuf” was een echte meevaller: we sliepen in alle rust, het eten was lekker en de verzorging uitstekend. Vandaag vertrekken we naar de Berry voor het tweede deel van onze reis. De eerste stop wordt Epineuil-le-Fleuriel. Ik vond dit dorpje toevallig bij mijn voorbereiding van de reis en ontdekte dat Alain Fournier er 8 jaar school liep waarbij hij van zijn herinneringen aan dit dorp gebruik maakte voor het schrijven van zijn meesterwerk: “Le Grand Maulnes”. Epineuil probeert de bekendheid van dit boek om te zetten in klinkende munt door het lokken van toeristen maar dat lijkt niet zo goed te lukken: ik tel er in de loop van de voormiddag… zes. Het lijkt alsof we de school nagenoeg helemaal voor ons alleen hebben. Na het aankopen van de tickets - in een modern gebouwtje dat een 30-tal meter verder speciaal hiervoor werd opgericht - wandelt de verantwoordelijke mee tot aan het hekken van de speelplaats. Er komt een sleutel bij te pas en na de obligate uitleg bij de mp-3 speler die we meekregen, laat ze ons alleen. Het authentieke uitzicht en de inrichting van het schooltje is vertederend. Ik keer er terug naar mijn tijd in de Gemeenteschool van Sint-Michiels: de zelfde didactische platen aan de muur, de zelfde banken met de witglazuren inkt-reservoir en de zelfde kachel in het midden van de klas. De prachtige foto’s en authentieke gebruiksvoorwerpen van de familie Fournier sleuren je samen met een goed verteld verhaal in de oortjes terug naar het einde van de 19de eeuw.

Bij het terugbrengen van de audio-gids, vraagt Mia waar we kunnen eten. Het dorp is echter niet zo lang geleden zijn laatste brasserie kwijt geraakt en dus rest er enkel nog de bakker-annex-tabac-annex-café in de hoofdstraat. Omdat we van plan zijn om er brood en beleg te kopen, krijgen we de exclusieve toelating om in de tuin van de school te picknicken! Dit laten we ons geen tweemaal zeggen. Er zijn weinige plaatsen in mijn leven waar ik beter heb gepicknickt dan in de zonovergoten tuin van Alain Fournier: op een bank in de schaduw van een boom met knappend-vers brood, volrijp sappig fruit, een dikke plak paté, heerlijk koel water en een romige dessert en dat alles in het gezelschap van mijn geliefde en mijn dochter. Aijajajajai!!!

Met een zucht van voldaanheid stap ik terug in de wagen. We rijden naar Sainte-Sévère-sur-Indre. Onderweg stoppen we nog even in Culan want we willen er het gelijknamige kasteel bezoeken waar Jeanne d’Arc, Madame de Sévigné en George Sand ooit verbleven, maar het is eerst en vooral erg duur en Mia’s spieren zijn nog altijd niet volledig in orde, dus rijden we na een kort oponthoud door naar Sainte-Sévère. Hier waren we dus 9 jaar geleden ook met Trees. Dit dorp is vooral bekend door de film “Jours de fêtes” van en met Jacques Tati. Op het centrale plein staat nog steeds de woonwagen en men heeft - net zoals in Epineuil - de kaart van het toerisme getrokken. Er werd een ruimte ingericht met een vertederende tentoonstelling over de werking van de post en een replica van een postkantoortje. Verder is het vooral de zon die charmeert. We rijden dus naar Pouligny-Notre-Dame, naar ons hotel “Les Dryades”.

Bij het oprijden van de parking merken we dat er iets niet klopt: er staan heel veel auto’s met Belgische nummerplaat en rond de ingang van het hotel gonst het van de bedrijvigheid. Een deel van de Tour-caravan is hier neergestreken! De Omega-Lotto-ploeg! Bij het inchecken blijkt dat de voorziene kamer niet meer beschikbaar is en we krijgen te horen dat we “surclassé” zijn. Mia pruttelt wat tegen: zij wil een kamer met lits-jumeaux. Désolé, ce n’est pas possible. Dan vraagt Mia om vanaf morgen - als de Tour vertrokken is - toch de voorziene kamer te mogen krijgen. Dat kan eigenlijk ook niet. Ik heb snel door dat we beter onze mond houden en stel Mia gerust: laat ons toch eerst eens kijken. De “surclassé” blijkt één van de vijf suites te zijn die het hotel telt. We vallen met onze bibs in de verse boereboter. Als na enkele vruchteloze pogingen en hulp van twee medewekers eindelijk de deur opendraait, stappen we binnen in een klein paleisje met ruime inkom, salon, king-size bed (je moet naar elkaar roepen!), twee TV-schermen, dubbel balkon met een schitterend uitzicht op de golf en het zwembad, een badkamer als een danszaal mét jacuzzi én douche én een afzonderlijk toilet: normale dagprijs 479 euro... en wij mogen (moeten) daar 4 nachten verblijven waarbij we geen cent meer betalen dan wat we in februari laatstleden contractueel vastlegden. ‘s Avonds maken we nog een wandeling, kopen in een supperette de ingrediënten voor een eenvoudig avondmaal en genieten van het zoete leven, gezeten op ‘ons’ balkon met eindeloos uitzicht op de verten van de Berry.


Hotel Les Dryades 36130 Pouligny-Notre-Dame

Dag 7

Deze morgen werd het ontbijt geserveerd tussen de “coureurs”. De “normale” gasten zitten een beetje weg gedrumd wat verweesd rond te kijken want de meeste ontbijttafels werden gewoon in lange rijen tegen elkaar geschoven. Ook de renners van de “Key”-ploeg loopt hier rond. De keukens zijn door de verzorgers gekaapt: er lopen voortdurend mensen in en uit met plastiek dozen “voedsel”. Ook aan het buffet staan wielrenners aan te schuiven. Ze vullen hun borden met fruit. Een van de verzorgers van RadioShack vermoed dat wij Belgen zijn en staat niet ver van Mia dik te doen. Johan Bruyneel heeft het door en zet hem ‘sec’ op zijn plaats. Ik zal blij zijn als dit circus weg is.

We nemen de auto en rijden tot La Châtre want het is marktdag en daar die in het boekje “Beau Berry” van Rudi Wester zo mooi wordt beschreven, wil ik dit graag bezoeken. Het is opnieuw een prachtige zonnige dag en er heerst een gezellige drukte. We maken een lange wandeling langs de tientallen en tientallen kraampjes, kopen hier en daar iets en eten op de middag in een gezellig restaurant.

Nadien rijden we richting Nohant-Vic om er het kasteeltje van George Sand te bezoeken. Nohant blijft iets bijzonders. Amantine Aurore Lucile Dupin - dochter van Maurice Dupin (de Franceuil) en Sophie Delaborde - stierf er in 1876, het jaar waarin mijn grootvader Engelbert Goethals werd geboren. Grote geesten zoals Delacroix, Flaubert, de Balzac, Dumas, Liszt, Marie d’Agoult (die er ooit een lachbui kreeg waarbij zij er ‘natte kousen aan overhield’) evenals Chopin logeerden er. We schuiven aan voor een rondleiding. Die wordt professioneel uitgevoerd en ik geniet van de sfeer ware het niet dat er in de groep ook een arrogant koppel meeloopt dat voortdurend wil opvallen. Ze doen zich voor als “van goede huize” maar gedragen zich “boers”. Overal commentaar op gevend lopen ze je voor de voeten of komen ze achter en vragen dan luidop wat er eigenlijk te zien is. Zonder enige scrupule snijden ze je de pas af om voor je neus te gaan staan zodat zij hét gezien hebben. Op het einde in de sterfkamer van kleindochter Aurore Sand ben ik het kotsbeu: ik sis in de richting van de vrouw: “Je bent een trut”. Zij begrijpt het niet dus herhaal ik het nog eens, maar ze wentelt zich verder in haar egocentrisme. Terug buiten zetten we ons aan de ingangspoort in het „Salon De Thé: Chez George Sand” aan een terrastafeltje te genieten van de warmte en de omgeving. Ik maak er een kleine schets. Voor we naar Les Dryades terugkeren, bezoeken we ook nog uitgebreid de enorme tuin en het privé-kerkhof waar George begraven is: “Een mis en wat priestergespuis? Ik hou niet van tranen op een afgesproken uur... de dood is een bevrijding... op mijn graf geen teken van rouw, enkel bloemen, bomen, planten.”


Dag 8

Vandaag is het de bedoeling om een deel van het circuit “Les Paysages Romanesques” te volgen. Daarvoor vertrekken we via de D54 richting Crevant waar Mia brood koopt voor het avondmaal. Dan rijden we richting Aigurande. Hier startte gisteren de 8ste rit in de Tour. Je weet niet wat je ziet: heel het dorp is overmatig versierd, overal in de berm, in de etalages en aan de gevels van de huizen, staan of hangen tientallen en tientallen overdadig versierde fietsen in alle mogelijke kleuren en maten en lezen we de felgele opschriften “Tous Fous Du Tour”. We rijden nu naar het noorden via de D990 en de D48 over Montchevrier richting Pommiers. Net voor het dorp kiezen we Dampierre (D45 en D91) waar we in het gehucht ‘Malicorne’ even stoppen om er de sfeer van de streek tot ons te laten doordringen. We zitten op een bank aan een drinkput en ik maak een schets van een oude schuur. Van hier tot Gargilesse-Dampierre is het nog amper 5 minuten rijden. Het beroemde dorp waar George veel verbleef, valt knap tegen. Tijdens onze wandeling tot aan de kerk en het chateau, worden we dermate gestoord door de klanken, veroorzaakt bij de soundcheck van een of andere lokale jazzgroep, dat we besluiten om hier niet al te lang te blijven. Daar het reeds middag is, kiezen we een door Belgen gerund restaurant: “Hotel des Artistes”. Het eten valt erg mee. In een gesprek met de waardin leren we dat het hotel te koop staat: ze wil hier na 12 jaar weg, maar keert zéker niet naar België terug want „daar stinkt het en zijn de mensen enkel bezig met werken en verzamelen en zichzelf te pletter te stressen”. Zij wil gewoon iets... anders.

Na de middag rijden we terug om via Pommiers, Cluis, Fougerolles en La Châtre, Ars te bereiken want het is de bedoeling dat we er het gelijknamige château bezoeken. Hier is een tentoonstelling van de “sculpteur Ernest Nivet (1871-1948)” te zien. Nivet werkte in het atelier van Rodin en was vriend van o.a. François Pompon en Camille Claudel (zie ook onze reis van 2010 naar Saulieu). Het is prachtig weer en wandelend door het bos naar het kasteel merken de de voorbereidingen voor de “Rencontres des Luthiers et Maitres Sonneurs” op. We zullen jammer genoeg net terug thuis zijn als dit bekende muziekfestival start. De expositie rond het werk van Nivet is indrukwekkend mooi. Hij slaagt er wonderwel in om met behulp van eenvoudige composities grote emotionele gevoelens los te maken. Zijn personages vertonen weliswaar weinig innerlijke blijheid maar zijn daarom niet noodzakelijk donker. Ze zijn zoals ze zijn; gewone mensen in hun eigenheid, hun eigen tijd en met hun eigen zorgen. Ze leven een leven dat niet altijd gemakkelijk is. Ze zetten aan tot mijmeren omdat ze zich bewust lijken van hun eindigheid en als het ware ietwat treurig en gelaten over hun eigen dood heen in de toekomst kijken naar die andere die hen zal aankijken. Een klein beetje zoals deze op het computerklavier getikte woorden reeds schuchter uitkijken naar een toekomstige lezer.


Dag 9

Het verken van Sint-Antonius zou jaloers zijn: we willen het grootste deel van de dag al luierend doorbrengen. Het is op en top zomerweer en na een zalig ontbijt maken we gedrieën een grote wandeling in de ruime buurt van het hotel. We stappen via de Manoir naar “Le Bourg” en kruisen dan het golfterrein om via de holle weg van Ligny - waar we een (ring)slang voor onze voeten zien wegglijden - en La Bêche, over de rue des Cassons terug naar Les Dryades wandelen. De natuur bleef hier ondanks de droogte prachtig. Er blijven de rustgevende vergezichten, de licht golvende einder en de uitgestrekte landerijen.

Op de middag eten we in de “klabauze” van het hotel in buffetstijl en daarna leggen we ons aan het openluchtzwembad te luieren. Een goed boek, een verfrissende duik, mensen observeren (een van de gasten slaagt er in om op de rand van het zwembad gezeten meer gsm-gesprekken te voeren dan dat er zwaluwen rond het hotel vliegen) en verder gewoon niets doen. Zo omstreeks zessen slenteren we naar de kamer. De witte piano in het restaurant knipoogt naar mij. Ik vraag de sleutel aan de balie want er is op een jongeman die de tafels aan het indekken na, toch niemand die ik kan “storen”. De piano klinkt wat moe en geschonden, maar ze is onmiskenbaar tevreden. De jongeman komt naderbij en spreekt mij schuchter aan. Hij dankt mij voor de mooie muziek. Zelf kan hij het niet, maar mijn klavierspel doet hem aan dat van zijn moeder denken en naar haar luistert hij ook zo graag.

De dames maken zich ondertussen op voor het diner. Deze avond eten we niet uit en ook niet op de kamer, maar in het restaurant van het hotel. Klasse! We denken niet aan de prijs, want de kwaliteit van eten en drank, evenals het uitzicht op het ons omringende landschap en de vriendelijke en discrete bediening (o.a. door de zelfde jongeman van de piano) maken van het betalen van de rekening een plezier. Morgen rijden we jammer genoeg terug richting thuis.

Dag 10

Parcours: van Pouligny-notre-Dame (D940) via La Châtre (D943 - D69) en Châteauroux naar Orleans (E9). Van Orleans (A10 (E60 en E5)) naar Parijs naar Rochefort-Yvelines (afrit 10 richting noord D149). Van Rochefort-Yvelines naar Bullion en Chevreuse (D188 > D149 > D906) (287 km).



Zo rond 09.45u sla ik de koffer van onze C3 Picasso dicht en met een korte draai van de contactsleutel wordt de motor gestart. Hij klinkt vertrouwelijk soepel. Ons verblijf in Les Dryades was er een dat we niet snel zullen vergeten en met een klein beetje weemoed in het hart rijden we de parking af. We zijn amper La Châtre voorbij of er breekt een onweer los: „Op de tiende dag begon het te regenen”. Hoogst waarschijnlijk maken heel wat boeren en dieren nu een dansje want de velden liggen er kurkdroog bij; wij laten het voorlopig niet aan ons hart komen en laten Châteauroux, Vierzon en Orleans achter ons. Na 210 kilometer - de zon schijnt ondertussen reeds - rijden we af in Artenay. Op de kaart lijkt het een voorschoot van enkele huizen groot, maar achteraf gezien kun je er verduiveld lekker en goedkoop eten. We volgen onze intuïtie en kiezen er op de “2, place de l’hotel de ville” voor het “Hôtel-restaurant La Fontaine”. Daar serveren Mr. et Mme Fleuridas elke middag een lekker 3-gangen menu met kaas pichetje wijn én koffie toe, voor de prijs van 12 euro (jongeren 6,90 euro). Goedgemutst rijden we terug de autostrade op. Ons hotel “Les Ducs de Chevreuse” ligt nog een 90-tal kilometer verder naar het noorden.

Chevreuse is een aardig stadje, een 30-tal kilometer ten zuidwesten van Parijs, midden in het groen en met een interessant “Château de la Madeleine” dat we natuurlijk met een bezoek vereren. Het kijkt hoog boven het dal uit en de niet bijzonder zware klim er naar toe wordt beloond met een prachtig uitzicht. De toegang is gratis. De ontvangst in het hotel Les Ducs de Chevreuse is professioneel maar koel. Jammer genoeg mag je niet tot aan de ingang met de wagen zodat de bagage toch een 100-tal meter moet worden gesleurd. Het mini-appartement voorziet in een eenvoudig keukentje met alles er op en er aan zodat we het avondeten op de kamer kunnen organiseren. Ik zal er goed slapen want het is opvallend rustig. Verder is alles aan dit hotel net en functioneel: een ideale tussenstop. Onze reis zit er morgen op.
Terug in Brugge zal ons vooral het lawaai in de stad opvallen. En de verzopen kilte van een ondermaatse julie-maand. De voorbij 10 dagen waren gelukkig een zegen voor lichaam en ziel. Ze waren zonnig, warm en ontspannend en ze waren en bron van geestelijk genieten. We kunnen er weer een tijdje tegen.


Région Centre 2011: verslag van een reis © Luc Goethals